Theoriebegrippen van A tot Z
Wat betekent die verkeersterm? Zoek het op in deze lijst met 174 begrippen uit het woordenboek van Volgas.
A
- Achterruitverwarming
- Verwarming in de achterruit die condens en ijs verwijdert, zodat je goed zicht naar achteren houdt.
- Achteruitrijden
- Met je voertuig achterwaarts rijden. Je moet al het andere verkeer voor laten gaan.
- Achteruitrijlicht
- Wit licht achter op je voertuig dat aangaat als je de achteruitversnelling inschakelt. Het verbetert je zicht en waarschuwt anderen.
- Ademanalyse
- Officiële alcoholtest waarbij je in een meetapparaat blaast. Het apparaat meet nauwkeurig hoeveel alcohol er in je adem zit.
- Adviessnelheid
- Aanbevolen snelheid voor de wegsituatie, aangegeven met een blauw vierkant bord. Deze snelheid is niet verplicht, maar wel verstandig.
- Afritnummer(s)
- Nummer van een afrit op de autosnelweg. Het helpt je de juiste afrit te vinden en je locatie door te geven.
- Antiblokkeersysteem (ABS)
- Remsysteem dat voorkomt dat de wielen blokkeren bij hard remmen. Daardoor kun je blijven sturen.
- APK
- Algemeen Periodieke Keuring; verplichte controle of je voertuig veilig en milieuvriendelijk genoeg is om de weg op te mogen.
- APK-gekeurd
- Officieel goedgekeurd na een APK; pas dan mag je het voertuig op de openbare weg gebruiken.
- APK-keuringsrapport
- Document met de uitslag van de APK en eventuele gebreken aan het voertuig.
- Aquaplaning
- Verschijnsel waarbij een waterlaag tussen je banden en het wegdek komt, zodat je geen grip meer hebt en het voertuig onbestuurbaar wordt.
- Autogordel
- Veiligheidsgordel die je in de auto draagt om bij een botsing op je plek te blijven; dragen is verplicht.
- Autopech
- Een storing aan je voertuig waardoor je niet of niet veilig kunt doorrijden.
- Autosnelweg
- Weg met een wit-op-blauw bord met snelweg-symbool; minimaal 60 en meestal maximaal 100 of 130 km/u, alleen voor snelverkeer.
- Autoweg
- Weg met een wit-op-blauw bord met auto-symbool; alleen voor motorvoertuigen die minimaal 50 km/u kunnen rijden.
B
- Bandenspanning
- De luchtdruk in je banden. De juiste spanning helpt je veilig te rijden en beperkt slijtage en brandstofverbruik.
- Bebouwde kom
- Gebied binnen de witte plaatsnaamborden; standaard geldt hier 50 km/u tenzij anders aangegeven.
- Beginnend bestuurder
- Bestuurder die minder dan vijf jaar een rijbewijs heeft (zeven jaar als het rijbewijs vóór de achttiende verjaardag is behaald). Voor deze bestuurder geldt een strengere alcohollimiet van 0,2‰.
- Berm
- Strook grond direct naast de rijbaan, vaak van gras of zand. Let op bij het uitwijken: in een zachte berm kun je snel slippen.
- Blaastest
- Voorlopige alcoholtest van de politie waarbij je in een blaaspijpje blaast. De uitslag bepaalt of een ademanalyse nodig is.
- Blikschade
- Schade aan de carrosserie van een voertuig zonder dat er gewonden zijn gevallen.
- Blokmarkering
- Onderbroken streep van blokken op het wegdek die rijstroken op snelwegen scheidt vlak voor een splitsing of in- en uitvoeger.
- Brandstofverbruik
- De hoeveelheid brandstof die je voertuig verbruikt, meestal uitgedrukt in liters per 100 kilometer.
- Brommobiel
- Klein gemotoriseerd voertuig op vier wielen, max. 45 km/u. De bestuurder heeft een AM-rijbewijs nodig.
- (Goed afgestelde) buitenspiegel
- Spiegel aan de buitenkant van het voertuig, zo afgesteld dat je het verkeer naast en achter je goed kunt zien.
- Busstrook
- Rijstrook met het woord BUS op het wegdek; alleen voor lijnbussen (en soms taxi's), aangegeven door bord of markering.
C
- Carpooler
- Iemand die samen met anderen in één auto naar het werk of naar school reist. Zo deel je de kosten en belast je het milieu minder.
- Claxonneren
- Een geluidssignaal geven met de claxon. Dit mag alleen om dreigend gevaar af te wenden.
- CO2-uitstoot
- De hoeveelheid kooldioxide die je voertuig uitstoot. Dit is een belangrijke maat voor de belasting van het milieu.
- Cruise control
- Systeem dat je snelheid automatisch constant houdt, zodat je het gaspedaal niet hoeft in te drukken.
D
- Dagrijlicht
- Verlichting die overdag automatisch brandt om je voertuig beter zichtbaar te maken.
- Dashboard
- Het paneel voor de bestuurder met meters, controlelampjes en bedieningsknoppen.
- Dode hoek
- Gebied rondom je voertuig dat je niet in je spiegels kunt zien. Vooral bij vrachtauto’s kan dit gevaarlijk zijn voor fietsers en voetgangers.
- Doodlopende weg
- Weg die eindigt zonder aansluiting op een andere doorgaande weg.
- Doorgaande rijbaan
- De rijbaan die de hoofdrichting van de weg volgt en niet afslaat of uitvoegt.
- (Bevorderen van de) doorstroming
- Het verkeer soepel laten doorrijden om files en vertraging te voorkomen.
- Driepuntsgordel
- Veiligheidsgordel met drie bevestigingspunten die over je schouder en heupen loopt; biedt de beste bescherming.
E
- (Lichte) Educatieve maatregel alcohol en verkeer (LEMA/EMA)
- Verplichte cursus over alcohol in het verkeer, opgelegd door het CBR na een alcoholovertreding.
- Educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG)
- Verplichte cursus over rijgedrag, opgelegd na ernstige verkeersovertredingen zoals te hard rijden of bumperkleven.
- Eenrichtingsweg
- Weg waar het verkeer slechts in één richting mag rijden; aangegeven met een blauw bord met witte pijl.
- Erf
- Verblijfsgebied (woonerf of winkelerf) met een speciaal bord; max. 15 km/u en voetgangers mogen overal lopen.
F
- Fietsdrager
- Hulpmiddel achter op of boven op je auto om fietsen te vervoeren. De kentekenplaat en achterlichten moeten zichtbaar blijven.
- Fietsstrook
- Rijstrook met fietssymbolen, gescheiden door een onderbroken streep; bedoeld voor fietsers maar geen verplicht fietspad.
- Filevorming
- Het ontstaan van een file, bijvoorbeeld door drukte, ongelukken of wegwerkzaamheden.
G
- Gehandicaptenvoertuig
- Klein motorvoertuig speciaal voor mensen met een beperking; max. 45 km/u en mag op de rijbaan, het fietspad of het trottoir.
- Geluidssignaal
- Hoorbaar waarschuwingssignaal, zoals de claxon van een voertuig of de tweetonige hoorn van een hulpdienst.
- Geslotenverklaring
- Verkeersbord (rond met rode rand) dat aangeeft welke voertuigen geen doorgang hebben.
- Gevarendriehoek
- Rood-witte driehoek die je bij pech of een ongeval op de weg zet om andere weggebruikers te waarschuwen.
H
- Handheld bellen
- Bellen met een telefoon in je hand tijdens het rijden. Dit is verboden en strafbaar.
- Handsfree bellen
- Bellen via een carkit, oortje of bluetooth zonder het apparaat vast te houden. Dit is toegestaan, maar leidt wel af.
- Hectometerbordje
- Klein groen bordje langs de snelweg dat de afstand in honderden meters aangeeft. Je kunt het gebruiken om bij pech je locatie door te geven.
- Heupgordel
- Veiligheidsgordel die alleen over je heupen loopt. Deze komt vooral nog voor op de middelste zitplaats achterin oudere auto’s.
I
- Identiteit
- Wie je officieel bent. In het verkeer moet je je kunnen identificeren met een geldig identiteitsbewijs of rijbewijs.
- Invoegstrook
- Strook waarop je versnelt om in te voegen op de doorgaande rijbaan. Het verkeer op de hoofdrijbaan heeft voorrang.
K
- Kentekenbewijs
- Officieel document met de gegevens van het voertuig en de persoon op wiens naam het staat. Vroeger was dit van papier, nu is het een kentekencard.
- Kentekenplaat
- Plaat met de unieke combinatie van letters en cijfers waarmee je voertuig is geregistreerd.
- Knippersignaal
- Lichtsignaal dat afwisselend aan- en uitgaat, zoals dat van richtingaanwijzers en waarschuwingslichten.
L
- Landbouwvoertuig
- Voertuig zoals een tractor, gebruikt in de landbouw; max. 40 km/u en herkenbaar aan een geel kenteken.
- Linkerbuitenspiegel
- Buitenspiegel aan de bestuurderskant, waarmee je het verkeer links achter je kunt zien.
- Linkerdimlicht
- Het dimlicht aan de linkerkant van je voertuig.
- Linkerrijstrook
- De meest linkse rijstrook. Deze is bedoeld om in te halen, niet om op te blijven rijden.
- Losbreekreminrichting
- Remsysteem dat een aanhangwagen automatisch afremt als die losraakt van het trekkende voertuig.
- Losliggende (stenen)
- Stenen of grind die los op het wegdek liggen. Ze kunnen slipgevaar of schade aan voertuigen veroorzaken.
M
- (Weg)markering
- Strepen, blokken, pijlen of symbolen op het wegdek die het verkeer regelen of informatie geven.
- Matrixbord
- Elektronisch bord boven of langs de snelweg dat snelheden, rijstrooksluitingen en waarschuwingen kan tonen.
- Maximumsnelheid
- De hoogste snelheid die op een bepaalde weg of voor een bepaald voertuig is toegestaan.
- Medeweggebruiker(s)
- Andere mensen die tegelijk met jou de weg gebruiken, zoals automobilisten, fietsers, voetgangers en motorrijders.
- Milieu
- De leefomgeving. Je rijgedrag heeft daar invloed op door uitstoot, geluid en brandstofverbruik.
- Militaire colonne
- Groep militaire voertuigen die als één eenheid rijdt; je mag er niet tussendoor rijden.
- Mistachterlicht
- Fel rood licht achter op je voertuig dat je gebruikt bij dichte mist (zicht minder dan 50 meter).
- Motorfiets
- Motorvoertuig op twee wielen met een verbrandings- of elektrische motor.
- Motorolie
- Olie die de bewegende onderdelen van de motor smeert. Controleer regelmatig het oliepeil met de peilstok.
- Motorrijder
- Bestuurder van een motorfiets.
- Motorrijtuig
- Verzamelnaam voor alle door een motor aangedreven voertuigen, behalve bromfietsen en fietsen met trapondersteuning.
- Motorvoertuig
- Door een motor aangedreven voertuig op meer dan twee wielen, zoals een auto, vrachtwagen of bus.
N
O
- Oliepeil
- De hoeveelheid motorolie in de motor. Controleer het peil regelmatig met de peilstok om motorschade te voorkomen.
- Omleidingsroute
- Alternatieve route die je volgt als de gewone weg afgesloten of versperd is.
- (Verkeers)ongeval
- Botsing of incident in het verkeer met materiële schade, letsel of beide.
- Oplettendheid
- De mate waarin je je aandacht bij het verkeer houdt. Door goed op te letten, merk je gevaar op tijd op.
- Optische en geluidssignalen
- Zwaailichten en sirenes van een voorrangsvoertuig. Je moet onmiddellijk ruimte maken om het door te laten.
- Overstekende kinderen
- Kinderen die de weg oversteken. Rijd voorzichtig en houd rekening met onverwacht gedrag.
- Overweg
- Plek waar de weg een spoorlijn kruist. Let op slagbomen, knipperlichten en de bel.
- Overwegbomen
- Slagbomen bij een spoorwegovergang die sluiten als er een trein nadert.
P
- Parkeergelegenheid
- Plek waar je je voertuig mag neerzetten, zoals een parkeerplaats, parkeervak of parkeergarage.
- Parkeerrem
- Hand- of voetrem die je voertuig stilhoudt als je geparkeerd staat.
- Parkeerschijf(-zone)
- Zone waar je een blauwe parkeerschijf met aankomsttijd zichtbaar achter je voorruit moet leggen.
- Passagier
- Iemand die in je voertuig meerijdt zonder het te besturen.
- Pechhulpdienst
- Dienst die je helpt bij autopech onderweg, zoals de ANWB Wegenwacht.
- Personenauto
- Motorvoertuig voor het vervoer van personen, met maximaal acht zitplaatsen naast die van de bestuurder.
- Politieauto
- Auto in gebruik bij de politie; herkenbaar aan striping en zwaailichten.
- Politiebureau
- Gebouw van waaruit de politie werkt en waar je aangifte kunt doen.
- Politiecontrole
- Controle door de politie, bijvoorbeeld op alcohol, snelheid, drugs of de staat van je voertuig.
R
- Reactietijd
- De tijd tussen het opmerken van gevaar en je reactie daarop. Dit duurt gemiddeld ongeveer 1 seconde.
- Reactievermogen
- Je vermogen om snel en juist op het verkeer te reageren. Alcohol, medicijnen en vermoeidheid kunnen dit verminderen.
- Rechterbuitenspiegel
- Buitenspiegel aan de bijrijderskant, waarmee je het verkeer rechts achter je kunt zien.
- Rechterdimlicht
- Het dimlicht aan de rechterkant van je voertuig.
- Reflector(en)
- Onderdeel dat licht weerkaatst, zodat je voertuig in het donker beter zichtbaar is.
- Reminrichting
- Het volledige remsysteem van je voertuig, met onder meer pedalen, leidingen en remmen op de wielen.
- Remweg
- De afstand die je voertuig aflegt vanaf het moment dat je begint te remmen totdat het stilstaat.
- Reserveband
- Extra band in je auto, voor het geval een van je banden onderweg lek raakt.
- Richtingaanwijzer
- Knipperend oranje licht waarmee je aangeeft dat je van richting of rijstrook gaat veranderen.
- (Verhoogde) rijbaanscheiding
- Verhoging tussen rijbanen die het verkeer in beide richtingen fysiek scheidt.
- Rijbaanversmalling
- Plek waar de rijbaan smaller wordt. Let op tegemoetkomend of invoegend verkeer.
- (Ontzegging van de) rijbevoegdheid
- Door de rechter opgelegd verbod om gedurende een bepaalde tijd te rijden.
- Rijgedrag
- De manier waarop je rijdt. Het uitgangspunt is dat je veilig en sociaal rijdt en rekening houdt met fouten van anderen.
- Rijontzegging
- Door de rechter opgelegd verbod om een motorvoertuig te besturen.
- Rijrichting
- De richting waarin je op een weg of rijstrook moet rijden.
- Rijvaardigheid
- Je vermogen om veilig, vlot en sociaal een voertuig te besturen.
- Rijverbod
- Tijdelijk verbod om te rijden, vaak na alcoholgebruik of vermoeidheid; meestal 24 uur.
- Routenummer
- Nummer waarmee een route wordt aangeduid, zoals A2, N35 of E19.
- Ruitensproeiervloeistof
- Vloeistof waarmee je de ruiten van je auto schoon sproeit. Gebruik in de winter vloeistof met antivries.
- Ruiter
- Iemand die op een paard rijdt. Passeer voorzichtig en stapvoets, zodat het paard niet schrikt.
S
- Schadeformulier
- Formulier dat je na een aanrijding samen met de andere betrokkene invult. De verzekeraars gebruiken het om de schade af te handelen.
- Skeelers
- Schoenen met wieltjes (inline skates); de berijder is bestuurder en moet zich aan de regels voor voertuigen houden.
- Slachtoffer
- Iemand die gewond raakt of overlijdt door een verkeersongeval.
- Slagbomen
- Beweegbare afsluitingen van een weg of doorgang, bijvoorbeeld bij een spoorwegovergang of parkeergarage.
- Slijtage
- Het geleidelijk verslechteren van onderdelen door gebruik, zoals banden, remmen of ruitenwissers.
- Slipgevaar
- Het risico dat je voertuig gaat slippen, bijvoorbeeld door gladheid, regen, sneeuw of olie op de weg.
- Snelheidscontrole
- Controle door de politie of met camera’s om te bepalen of je je aan de maximumsnelheid houdt.
- Speed-pedelec
- Snelle elektrische fiets met trapondersteuning tot 45 km/u; geldt als bromfiets, helmplicht en op de rijbaan.
- Speekseltest
- Test waarbij speeksel wordt afgenomen om drugsgebruik vast te stellen.
- Spitsstrook
- Extra rijstrook (links of rechts) die alleen tijdens de spits wordt opengesteld. Een matrixbord geeft aan of de strook open is.
- Splitsing
- Plek waar een rijbaan in twee of meer richtingen wordt gesplitst.
- Spoorvorming
- Geulen in het wegdek die ontstaan door zwaar verkeer. Hier kan water in blijven staan, waardoor aquaplaning kan ontstaan.
- Stopafstand
- De totale afstand voordat je stilstaat: reactieafstand plus remweg.
- Suggestiestrook
- Smalle strook aan weerszijden van de rijbaan zonder doorgetrokken streep, bedoeld als suggestie voor fietsers.
- Symbool
- Afbeelding op een verkeersbord of op het wegdek met een vaste betekenis.
T
- (Toegestane) maximummassa
- Het hoogste totale gewicht dat een voertuig volgens het kentekenbewijs mag hebben, inclusief eventuele lading.
- (Toegestane) maximumsnelheid
- De hoogst toegestane snelheid op een bepaalde weg of voor een bepaald voertuig.
- Taxistandplaats
- Plek met bord en markering waar taxi's mogen wachten op klanten. Anderen mogen hier niet parkeren.
- Tegenpartij
- De andere betrokkene bij een aanrijding of geschil.
- Toerental
- Het aantal omwentelingen dat de motor per minuut maakt. Je leest dit af op de toerenteller.
- Touringcar
- Comfortabele bus voor lange afstanden, vaak gebruikt voor groepsreizen en excursies.
- Tramkruising
- Kruising waar een tramlijn de weg kruist; trams hebben in de regel voorrang.
- Trottoir
- Verhoogd voetpad langs de weg; alleen bedoeld voor voetgangers.
- Turborotonde
- Rotonde met meerdere rijstroken en doorgetrokken strepen; je sorteert vóór de rotonde voor in de juiste richting.
U
- Uitrijstrook
- Strook waarop je vanaf de doorgaande rijbaan vertraagt om de weg te verlaten.
- Uitrit
- Plek waar je vanaf een terrein, inrit of garage de weg op rijdt; je moet al het verkeer voorrang verlenen.
- Uitvaartstoet
- Stoet voertuigen die een overledene begeleidt; je mag er niet doorheen rijden.
- Uitvoegstrook
- Strook waarop je de doorgaande rijbaan verlaat en vertraagt voor de afslag.
- Uitwijkplaats
- Plek aan de zijkant van een smalle weg waar je opzij kunt gaan om tegemoetkomend verkeer te laten passeren.
- Uitwijkroute
- Alternatieve route bij een wegafsluiting; vaak aangegeven met geel-zwarte borden.
V
- Veegwagen
- Voertuig dat de straat schoonmaakt. Het rijdt langzaam en kan andere weggebruikers tijdelijk hinderen.
- Veerpont
- Boot die mensen en voertuigen over water vervoert. Volg de aanwijzingen van het personeel.
- Veiligheidshamer
- Hamertje in je voertuig waarmee je in noodgevallen een ruit kunt verbrijzelen om naar buiten te komen.
- Verdrijvingsvlak
- Wit gestreept vlak op het wegdek dat je niet mag in- of overrijden; gebruikt om verkeersstromen te scheiden.
- Vergunninghouders
- Mensen met een speciale vergunning, bijvoorbeeld om in een bepaald gebied te parkeren.
- Verkeersdrempel
- Verhoging in de weg die ervoor zorgt dat het verkeer langzamer rijdt.
- Verkeerslicht
- Stoplicht dat het verkeer regelt met rood, oranje en groen.
- Verkeersregelaar
- Persoon die het verkeer met handgebaren regelt; aanwijzingen gaan boven verkeersborden en verkeerslichten.
- Verkeerssituatie
- Het geheel van de weg, de weggebruikers en de omstandigheden op een bepaalde plek en een bepaald moment.
- Vertraging
- Tijdverlies door drukte, files of incidenten op je route.
- Viaducten
- Bruggen waarmee een weg of spoorlijn een andere weg of spoorlijn kruist.
- Vluchthaven
- Verbrede inham langs de snelweg waar je in noodgevallen kunt stoppen.
- Vluchtstrook
- Strook rechts van de rijbaan op een snelweg; alleen voor pech of nood, niet om te rijden.
- Voetgangersoversteekplaats
- Zebrapad; plek waar voetgangers voorrang hebben bij het oversteken.
- Vooraanduiding
- Bord dat een volgend bord of een naderende verkeerssituatie aankondigt, vaak met de afstand erbij.
- Voorrangskruispunt
- Kruising waarvan de voorrang met borden of haaientanden is geregeld.
- Voorrangsvoertuig
- Voertuig met blauwe zwaailichten én tweetonige hoorn (politie, brandweer, ambulance); maak altijd ruimte.
- Voorsorteerstrook
- Rijstrook waarop je gaat staan om aan te geven welke richting je opgaat.
W
- Waarschuwingslichten
- Alle vier de richtingaanwijzers die tegelijk knipperen (alarmlichten); gebruiken bij gevaar of een naderende file.
- Weersomstandigheden
- Het weer, zoals regen, mist, sneeuw of wind. Pas je snelheid en rijgedrag hierop aan.
- Wegenwacht
- De pechhulpdienst van de ANWB.
- Weggebruiker
- Iedereen die zich op de openbare weg bevindt, te voet of met een voertuig.
- Wegligging
- De mate waarin je voertuig stabiel op de weg blijft, vooral in bochten en bij plotselinge stuurbewegingen.
- Wegomleiding
- Tijdelijke omleiding van een afgesloten of versperde weg, aangegeven met geel-zwarte borden.
- Wegversmalling
- Plek waar de weg smaller wordt, vaak met een voorrangsregeling die aangeeft wie er eerst mag rijden.
- Wegwerkzaamheden
- Werk aan of langs de weg. Let op een lagere maximumsnelheid, omleidingen en verkeersregelaars.
- Winterbanden
- Banden met dieper en zachter rubberprofiel; geven betere grip bij temperaturen onder 7°C, sneeuw of ijs.
Z
- Zijspiegel
- Andere benaming voor de buitenspiegel aan de zijkant van je voertuig.
- Zijwind
- Wind die van opzij tegen je voertuig blaast. Hierdoor kun je uit koers raken, vooral op bruggen en open wegen.
- Zomerbanden
- Banden met harder rubberprofiel; geschikt voor temperaturen boven 7°C en een droog of nat wegdek zonder sneeuw of ijs.
- Zone
- Gebied waarin een bepaalde regel geldt, zoals een 30 km/u-zone of parkeerschijfzone. Borden geven het begin en einde van de zone aan.