A

Achterruitverwarming
Verwarming in de achterruit die condens en ijs verwijdert, zodat je goed zicht naar achteren houdt.
Achteruitrijden
Met je voertuig achterwaarts rijden. Je moet al het andere verkeer voor laten gaan.
Achteruitrijlicht
Wit licht achter op je voertuig dat aangaat als je de achteruitversnelling inschakelt. Het verbetert je zicht en waarschuwt anderen.
Ademanalyse
Officiële alcoholtest waarbij je in een meetapparaat blaast. Het apparaat meet nauwkeurig hoeveel alcohol er in je adem zit.
Adviessnelheid
Aanbevolen snelheid voor de wegsituatie, aangegeven met een blauw vierkant bord. Deze snelheid is niet verplicht, maar wel verstandig.
Afritnummer(s)
Nummer van een afrit op de autosnelweg. Het helpt je de juiste afrit te vinden en je locatie door te geven.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Remsysteem dat voorkomt dat de wielen blokkeren bij hard remmen. Daardoor kun je blijven sturen.
APK
Algemeen Periodieke Keuring; verplichte controle of je voertuig veilig en milieuvriendelijk genoeg is om de weg op te mogen.
APK-gekeurd
Officieel goedgekeurd na een APK; pas dan mag je het voertuig op de openbare weg gebruiken.
APK-keuringsrapport
Document met de uitslag van de APK en eventuele gebreken aan het voertuig.
Aquaplaning
Verschijnsel waarbij een waterlaag tussen je banden en het wegdek komt, zodat je geen grip meer hebt en het voertuig onbestuurbaar wordt.
Autogordel
Veiligheidsgordel die je in de auto draagt om bij een botsing op je plek te blijven; dragen is verplicht.
Autopech
Een storing aan je voertuig waardoor je niet of niet veilig kunt doorrijden.
Autosnelweg
Weg met een wit-op-blauw bord met snelweg-symbool; minimaal 60 en meestal maximaal 100 of 130 km/u, alleen voor snelverkeer.
Autoweg
Weg met een wit-op-blauw bord met auto-symbool; alleen voor motorvoertuigen die minimaal 50 km/u kunnen rijden.

B

Bandenspanning
De luchtdruk in je banden. De juiste spanning helpt je veilig te rijden en beperkt slijtage en brandstofverbruik.
Bebouwde kom
Gebied binnen de witte plaatsnaamborden; standaard geldt hier 50 km/u tenzij anders aangegeven.
Beginnend bestuurder
Bestuurder die minder dan vijf jaar een rijbewijs heeft (zeven jaar als het rijbewijs vóór de achttiende verjaardag is behaald). Voor deze bestuurder geldt een strengere alcohollimiet van 0,2‰.
Berm
Strook grond direct naast de rijbaan, vaak van gras of zand. Let op bij het uitwijken: in een zachte berm kun je snel slippen.
Blaastest
Voorlopige alcoholtest van de politie waarbij je in een blaaspijpje blaast. De uitslag bepaalt of een ademanalyse nodig is.
Blikschade
Schade aan de carrosserie van een voertuig zonder dat er gewonden zijn gevallen.
Blokmarkering
Onderbroken streep van blokken op het wegdek die rijstroken op snelwegen scheidt vlak voor een splitsing of in- en uitvoeger.
Brandstofverbruik
De hoeveelheid brandstof die je voertuig verbruikt, meestal uitgedrukt in liters per 100 kilometer.
Brommobiel
Klein gemotoriseerd voertuig op vier wielen, max. 45 km/u. De bestuurder heeft een AM-rijbewijs nodig.
(Goed afgestelde) buitenspiegel
Spiegel aan de buitenkant van het voertuig, zo afgesteld dat je het verkeer naast en achter je goed kunt zien.
Busstrook
Rijstrook met het woord BUS op het wegdek; alleen voor lijnbussen (en soms taxi's), aangegeven door bord of markering.

C

Carpooler
Iemand die samen met anderen in één auto naar het werk of naar school reist. Zo deel je de kosten en belast je het milieu minder.
Claxonneren
Een geluidssignaal geven met de claxon. Dit mag alleen om dreigend gevaar af te wenden.
CO2-uitstoot
De hoeveelheid kooldioxide die je voertuig uitstoot. Dit is een belangrijke maat voor de belasting van het milieu.
Cruise control
Systeem dat je snelheid automatisch constant houdt, zodat je het gaspedaal niet hoeft in te drukken.

D

Dagrijlicht
Verlichting die overdag automatisch brandt om je voertuig beter zichtbaar te maken.
Dashboard
Het paneel voor de bestuurder met meters, controlelampjes en bedieningsknoppen.
Dode hoek
Gebied rondom je voertuig dat je niet in je spiegels kunt zien. Vooral bij vrachtauto’s kan dit gevaarlijk zijn voor fietsers en voetgangers.
Doodlopende weg
Weg die eindigt zonder aansluiting op een andere doorgaande weg.
Doorgaande rijbaan
De rijbaan die de hoofdrichting van de weg volgt en niet afslaat of uitvoegt.
(Bevorderen van de) doorstroming
Het verkeer soepel laten doorrijden om files en vertraging te voorkomen.
Driepuntsgordel
Veiligheidsgordel met drie bevestigingspunten die over je schouder en heupen loopt; biedt de beste bescherming.

E

(Lichte) Educatieve maatregel alcohol en verkeer (LEMA/EMA)
Verplichte cursus over alcohol in het verkeer, opgelegd door het CBR na een alcoholovertreding.
Educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG)
Verplichte cursus over rijgedrag, opgelegd na ernstige verkeersovertredingen zoals te hard rijden of bumperkleven.
Eenrichtingsweg
Weg waar het verkeer slechts in één richting mag rijden; aangegeven met een blauw bord met witte pijl.
Erf
Verblijfsgebied (woonerf of winkelerf) met een speciaal bord; max. 15 km/u en voetgangers mogen overal lopen.

F

Fietsdrager
Hulpmiddel achter op of boven op je auto om fietsen te vervoeren. De kentekenplaat en achterlichten moeten zichtbaar blijven.
Fietsstrook
Rijstrook met fietssymbolen, gescheiden door een onderbroken streep; bedoeld voor fietsers maar geen verplicht fietspad.
Filevorming
Het ontstaan van een file, bijvoorbeeld door drukte, ongelukken of wegwerkzaamheden.

G

Gehandicaptenvoertuig
Klein motorvoertuig speciaal voor mensen met een beperking; max. 45 km/u en mag op de rijbaan, het fietspad of het trottoir.
Geluidssignaal
Hoorbaar waarschuwingssignaal, zoals de claxon van een voertuig of de tweetonige hoorn van een hulpdienst.
Geslotenverklaring
Verkeersbord (rond met rode rand) dat aangeeft welke voertuigen geen doorgang hebben.
Gevarendriehoek
Rood-witte driehoek die je bij pech of een ongeval op de weg zet om andere weggebruikers te waarschuwen.

H

Handheld bellen
Bellen met een telefoon in je hand tijdens het rijden. Dit is verboden en strafbaar.
Handsfree bellen
Bellen via een carkit, oortje of bluetooth zonder het apparaat vast te houden. Dit is toegestaan, maar leidt wel af.
Hectometerbordje
Klein groen bordje langs de snelweg dat de afstand in honderden meters aangeeft. Je kunt het gebruiken om bij pech je locatie door te geven.
Heupgordel
Veiligheidsgordel die alleen over je heupen loopt. Deze komt vooral nog voor op de middelste zitplaats achterin oudere auto’s.

I

Identiteit
Wie je officieel bent. In het verkeer moet je je kunnen identificeren met een geldig identiteitsbewijs of rijbewijs.
Invoegstrook
Strook waarop je versnelt om in te voegen op de doorgaande rijbaan. Het verkeer op de hoofdrijbaan heeft voorrang.

K

Kentekenbewijs
Officieel document met de gegevens van het voertuig en de persoon op wiens naam het staat. Vroeger was dit van papier, nu is het een kentekencard.
Kentekenplaat
Plaat met de unieke combinatie van letters en cijfers waarmee je voertuig is geregistreerd.
Knippersignaal
Lichtsignaal dat afwisselend aan- en uitgaat, zoals dat van richtingaanwijzers en waarschuwingslichten.

L

Landbouwvoertuig
Voertuig zoals een tractor, gebruikt in de landbouw; max. 40 km/u en herkenbaar aan een geel kenteken.
Linkerbuitenspiegel
Buitenspiegel aan de bestuurderskant, waarmee je het verkeer links achter je kunt zien.
Linkerdimlicht
Het dimlicht aan de linkerkant van je voertuig.
Linkerrijstrook
De meest linkse rijstrook. Deze is bedoeld om in te halen, niet om op te blijven rijden.
Losbreekreminrichting
Remsysteem dat een aanhangwagen automatisch afremt als die losraakt van het trekkende voertuig.
Losliggende (stenen)
Stenen of grind die los op het wegdek liggen. Ze kunnen slipgevaar of schade aan voertuigen veroorzaken.

M

(Weg)markering
Strepen, blokken, pijlen of symbolen op het wegdek die het verkeer regelen of informatie geven.
Matrixbord
Elektronisch bord boven of langs de snelweg dat snelheden, rijstrooksluitingen en waarschuwingen kan tonen.
Maximumsnelheid
De hoogste snelheid die op een bepaalde weg of voor een bepaald voertuig is toegestaan.
Medeweggebruiker(s)
Andere mensen die tegelijk met jou de weg gebruiken, zoals automobilisten, fietsers, voetgangers en motorrijders.
Milieu
De leefomgeving. Je rijgedrag heeft daar invloed op door uitstoot, geluid en brandstofverbruik.
Militaire colonne
Groep militaire voertuigen die als één eenheid rijdt; je mag er niet tussendoor rijden.
Mistachterlicht
Fel rood licht achter op je voertuig dat je gebruikt bij dichte mist (zicht minder dan 50 meter).
Motorfiets
Motorvoertuig op twee wielen met een verbrandings- of elektrische motor.
Motorolie
Olie die de bewegende onderdelen van de motor smeert. Controleer regelmatig het oliepeil met de peilstok.
Motorrijder
Bestuurder van een motorfiets.
Motorrijtuig
Verzamelnaam voor alle door een motor aangedreven voertuigen, behalve bromfietsen en fietsen met trapondersteuning.
Motorvoertuig
Door een motor aangedreven voertuig op meer dan twee wielen, zoals een auto, vrachtwagen of bus.

N

O

Oliepeil
De hoeveelheid motorolie in de motor. Controleer het peil regelmatig met de peilstok om motorschade te voorkomen.
Omleidingsroute
Alternatieve route die je volgt als de gewone weg afgesloten of versperd is.
(Verkeers)ongeval
Botsing of incident in het verkeer met materiële schade, letsel of beide.
Oplettendheid
De mate waarin je je aandacht bij het verkeer houdt. Door goed op te letten, merk je gevaar op tijd op.
Optische en geluidssignalen
Zwaailichten en sirenes van een voorrangsvoertuig. Je moet onmiddellijk ruimte maken om het door te laten.
Overstekende kinderen
Kinderen die de weg oversteken. Rijd voorzichtig en houd rekening met onverwacht gedrag.
Overweg
Plek waar de weg een spoorlijn kruist. Let op slagbomen, knipperlichten en de bel.
Overwegbomen
Slagbomen bij een spoorwegovergang die sluiten als er een trein nadert.

P

Parkeergelegenheid
Plek waar je je voertuig mag neerzetten, zoals een parkeerplaats, parkeervak of parkeergarage.
Parkeerrem
Hand- of voetrem die je voertuig stilhoudt als je geparkeerd staat.
Parkeerschijf(-zone)
Zone waar je een blauwe parkeerschijf met aankomsttijd zichtbaar achter je voorruit moet leggen.
Passagier
Iemand die in je voertuig meerijdt zonder het te besturen.
Pechhulpdienst
Dienst die je helpt bij autopech onderweg, zoals de ANWB Wegenwacht.
Personenauto
Motorvoertuig voor het vervoer van personen, met maximaal acht zitplaatsen naast die van de bestuurder.
Politieauto
Auto in gebruik bij de politie; herkenbaar aan striping en zwaailichten.
Politiebureau
Gebouw van waaruit de politie werkt en waar je aangifte kunt doen.
Politiecontrole
Controle door de politie, bijvoorbeeld op alcohol, snelheid, drugs of de staat van je voertuig.

R

Reactietijd
De tijd tussen het opmerken van gevaar en je reactie daarop. Dit duurt gemiddeld ongeveer 1 seconde.
Reactievermogen
Je vermogen om snel en juist op het verkeer te reageren. Alcohol, medicijnen en vermoeidheid kunnen dit verminderen.
Rechterbuitenspiegel
Buitenspiegel aan de bijrijderskant, waarmee je het verkeer rechts achter je kunt zien.
Rechterdimlicht
Het dimlicht aan de rechterkant van je voertuig.
Reflector(en)
Onderdeel dat licht weerkaatst, zodat je voertuig in het donker beter zichtbaar is.
Reminrichting
Het volledige remsysteem van je voertuig, met onder meer pedalen, leidingen en remmen op de wielen.
Remweg
De afstand die je voertuig aflegt vanaf het moment dat je begint te remmen totdat het stilstaat.
Reserveband
Extra band in je auto, voor het geval een van je banden onderweg lek raakt.
Richtingaanwijzer
Knipperend oranje licht waarmee je aangeeft dat je van richting of rijstrook gaat veranderen.
(Verhoogde) rijbaanscheiding
Verhoging tussen rijbanen die het verkeer in beide richtingen fysiek scheidt.
Rijbaanversmalling
Plek waar de rijbaan smaller wordt. Let op tegemoetkomend of invoegend verkeer.
(Ontzegging van de) rijbevoegdheid
Door de rechter opgelegd verbod om gedurende een bepaalde tijd te rijden.
Rijgedrag
De manier waarop je rijdt. Het uitgangspunt is dat je veilig en sociaal rijdt en rekening houdt met fouten van anderen.
Rijontzegging
Door de rechter opgelegd verbod om een motorvoertuig te besturen.
Rijrichting
De richting waarin je op een weg of rijstrook moet rijden.
Rijvaardigheid
Je vermogen om veilig, vlot en sociaal een voertuig te besturen.
Rijverbod
Tijdelijk verbod om te rijden, vaak na alcoholgebruik of vermoeidheid; meestal 24 uur.
Routenummer
Nummer waarmee een route wordt aangeduid, zoals A2, N35 of E19.
Ruitensproeiervloeistof
Vloeistof waarmee je de ruiten van je auto schoon sproeit. Gebruik in de winter vloeistof met antivries.
Ruiter
Iemand die op een paard rijdt. Passeer voorzichtig en stapvoets, zodat het paard niet schrikt.

S

Schadeformulier
Formulier dat je na een aanrijding samen met de andere betrokkene invult. De verzekeraars gebruiken het om de schade af te handelen.
Skeelers
Schoenen met wieltjes (inline skates); de berijder is bestuurder en moet zich aan de regels voor voertuigen houden.
Slachtoffer
Iemand die gewond raakt of overlijdt door een verkeersongeval.
Slagbomen
Beweegbare afsluitingen van een weg of doorgang, bijvoorbeeld bij een spoorwegovergang of parkeergarage.
Slijtage
Het geleidelijk verslechteren van onderdelen door gebruik, zoals banden, remmen of ruitenwissers.
Slipgevaar
Het risico dat je voertuig gaat slippen, bijvoorbeeld door gladheid, regen, sneeuw of olie op de weg.
Snelheidscontrole
Controle door de politie of met camera’s om te bepalen of je je aan de maximumsnelheid houdt.
Speed-pedelec
Snelle elektrische fiets met trapondersteuning tot 45 km/u; geldt als bromfiets, helmplicht en op de rijbaan.
Speekseltest
Test waarbij speeksel wordt afgenomen om drugsgebruik vast te stellen.
Spitsstrook
Extra rijstrook (links of rechts) die alleen tijdens de spits wordt opengesteld. Een matrixbord geeft aan of de strook open is.
Splitsing
Plek waar een rijbaan in twee of meer richtingen wordt gesplitst.
Spoorvorming
Geulen in het wegdek die ontstaan door zwaar verkeer. Hier kan water in blijven staan, waardoor aquaplaning kan ontstaan.
Stopafstand
De totale afstand voordat je stilstaat: reactieafstand plus remweg.
Suggestiestrook
Smalle strook aan weerszijden van de rijbaan zonder doorgetrokken streep, bedoeld als suggestie voor fietsers.
Symbool
Afbeelding op een verkeersbord of op het wegdek met een vaste betekenis.

T

(Toegestane) maximummassa
Het hoogste totale gewicht dat een voertuig volgens het kentekenbewijs mag hebben, inclusief eventuele lading.
(Toegestane) maximumsnelheid
De hoogst toegestane snelheid op een bepaalde weg of voor een bepaald voertuig.
Taxistandplaats
Plek met bord en markering waar taxi's mogen wachten op klanten. Anderen mogen hier niet parkeren.
Tegenpartij
De andere betrokkene bij een aanrijding of geschil.
Toerental
Het aantal omwentelingen dat de motor per minuut maakt. Je leest dit af op de toerenteller.
Touringcar
Comfortabele bus voor lange afstanden, vaak gebruikt voor groepsreizen en excursies.
Tramkruising
Kruising waar een tramlijn de weg kruist; trams hebben in de regel voorrang.
Trottoir
Verhoogd voetpad langs de weg; alleen bedoeld voor voetgangers.
Turborotonde
Rotonde met meerdere rijstroken en doorgetrokken strepen; je sorteert vóór de rotonde voor in de juiste richting.

U

Uitrijstrook
Strook waarop je vanaf de doorgaande rijbaan vertraagt om de weg te verlaten.
Uitrit
Plek waar je vanaf een terrein, inrit of garage de weg op rijdt; je moet al het verkeer voorrang verlenen.
Uitvaartstoet
Stoet voertuigen die een overledene begeleidt; je mag er niet doorheen rijden.
Uitvoegstrook
Strook waarop je de doorgaande rijbaan verlaat en vertraagt voor de afslag.
Uitwijkplaats
Plek aan de zijkant van een smalle weg waar je opzij kunt gaan om tegemoetkomend verkeer te laten passeren.
Uitwijkroute
Alternatieve route bij een wegafsluiting; vaak aangegeven met geel-zwarte borden.

V

Veegwagen
Voertuig dat de straat schoonmaakt. Het rijdt langzaam en kan andere weggebruikers tijdelijk hinderen.
Veerpont
Boot die mensen en voertuigen over water vervoert. Volg de aanwijzingen van het personeel.
Veiligheidshamer
Hamertje in je voertuig waarmee je in noodgevallen een ruit kunt verbrijzelen om naar buiten te komen.
Verdrijvingsvlak
Wit gestreept vlak op het wegdek dat je niet mag in- of overrijden; gebruikt om verkeersstromen te scheiden.
Vergunninghouders
Mensen met een speciale vergunning, bijvoorbeeld om in een bepaald gebied te parkeren.
Verkeersdrempel
Verhoging in de weg die ervoor zorgt dat het verkeer langzamer rijdt.
Verkeerslicht
Stoplicht dat het verkeer regelt met rood, oranje en groen.
Verkeersregelaar
Persoon die het verkeer met handgebaren regelt; aanwijzingen gaan boven verkeersborden en verkeerslichten.
Verkeerssituatie
Het geheel van de weg, de weggebruikers en de omstandigheden op een bepaalde plek en een bepaald moment.
Vertraging
Tijdverlies door drukte, files of incidenten op je route.
Viaducten
Bruggen waarmee een weg of spoorlijn een andere weg of spoorlijn kruist.
Vluchthaven
Verbrede inham langs de snelweg waar je in noodgevallen kunt stoppen.
Vluchtstrook
Strook rechts van de rijbaan op een snelweg; alleen voor pech of nood, niet om te rijden.
Voetgangersoversteekplaats
Zebrapad; plek waar voetgangers voorrang hebben bij het oversteken.
Vooraanduiding
Bord dat een volgend bord of een naderende verkeerssituatie aankondigt, vaak met de afstand erbij.
Voorrangskruispunt
Kruising waarvan de voorrang met borden of haaientanden is geregeld.
Voorrangsvoertuig
Voertuig met blauwe zwaailichten én tweetonige hoorn (politie, brandweer, ambulance); maak altijd ruimte.
Voorsorteerstrook
Rijstrook waarop je gaat staan om aan te geven welke richting je opgaat.

W

Waarschuwingslichten
Alle vier de richtingaanwijzers die tegelijk knipperen (alarmlichten); gebruiken bij gevaar of een naderende file.
Weersomstandigheden
Het weer, zoals regen, mist, sneeuw of wind. Pas je snelheid en rijgedrag hierop aan.
Wegenwacht
De pechhulpdienst van de ANWB.
Weggebruiker
Iedereen die zich op de openbare weg bevindt, te voet of met een voertuig.
Wegligging
De mate waarin je voertuig stabiel op de weg blijft, vooral in bochten en bij plotselinge stuurbewegingen.
Wegomleiding
Tijdelijke omleiding van een afgesloten of versperde weg, aangegeven met geel-zwarte borden.
Wegversmalling
Plek waar de weg smaller wordt, vaak met een voorrangsregeling die aangeeft wie er eerst mag rijden.
Wegwerkzaamheden
Werk aan of langs de weg. Let op een lagere maximumsnelheid, omleidingen en verkeersregelaars.
Winterbanden
Banden met dieper en zachter rubberprofiel; geven betere grip bij temperaturen onder 7°C, sneeuw of ijs.

Z

Zijspiegel
Andere benaming voor de buitenspiegel aan de zijkant van je voertuig.
Zijwind
Wind die van opzij tegen je voertuig blaast. Hierdoor kun je uit koers raken, vooral op bruggen en open wegen.
Zomerbanden
Banden met harder rubberprofiel; geschikt voor temperaturen boven 7°C en een droog of nat wegdek zonder sneeuw of ijs.
Zone
Gebied waarin een bepaalde regel geldt, zoals een 30 km/u-zone of parkeerschijfzone. Borden geven het begin en einde van de zone aan.