In dit hoofdstuk
  1. Belangrijkste punten
  2. Voorrang verlenen of voor laten gaan
  3. Wat telt als kruispunt?
  4. Gelijkwaardig kruispunt: rechts gaat voor
  5. Uitzonderingen: de tram en de agent
  6. Ongelijkwaardig kruispunt: borden en haaientanden
  7. Voetgangers en kwetsbare weggebruikers
  8. Keren, uitrit en wegrijden
  9. Voorrangsvoertuigen
  10. Een kruispunt naderen
  11. Let op op het examen
  12. Oefenvraag
  13. Borden in dit hoofdstuk
  14. Veelgestelde vragen

Belangrijkste punten

  • Voorrang verlenen speelt tussen bestuurders op kruisende wegen. Voor laten gaan geldt onder meer bij afslaan, bij voetgangers en bij bijzondere manoeuvres.
  • Op een gelijkwaardig kruispunt verleen je voorrang aan bestuurders van rechts, ook aan fietsers en bromfietsers.
  • Uitzonderingen op rechts gaat voor: wie op een onverharde weg rijdt, verleent voorrang aan bestuurders op een verharde weg. En iedereen verleent voorrang aan een tram.
  • Aanwijzingen van een agent gaan boven verkeerslichten, borden en regels. Borden, haaientanden en lichten gaan boven rechts gaat voor.
  • Een voorrangsvoertuig voert blauw zwaai-, flits- of knipperlicht én een tweetonige hoorn. Dat voertuig laat je altijd voorgaan.
  • Wie keert, wegrijdt of uit een uitrit de weg oprijdt, laat al het andere verkeer voorgaan.

Voorrang verlenen of voor laten gaan

In de verkeersregels staan twee begrippen die op elkaar lijken, maar niet hetzelfde zijn.

Voorrang verlenen speelt tussen bestuurders op wegen die elkaar kruisen, dus op een kruispunt. Voorrang verlenen betekent dat je de ander ongehinderd zijn weg laat vervolgen.

Voor laten gaan geldt in andere situaties. Bijvoorbeeld tussen weggebruikers op dezelfde weg, als jij afslaat. Maar ook bij voetgangers op een zebrapad, bij een voorrangsvoertuig en als je keert of wegrijdt.

Voetgangers zijn geen bestuurders. Ze doen dus niet mee in de voorrangsregels. Je verleent een voetganger geen voorrang, maar je laat hem in veel situaties wel voorgaan.

Wat telt als kruispunt?

Volgens de wet is een kruispunt elke kruising of splitsing van wegen. Het aantal wegen dat samenkomt, maakt niet uit. Een T-splitsing en een Y-splitsing zijn dus ook kruispunten. Daar gelden dezelfde voorrangsregels.

Een kruispunt is gelijkwaardig als beide wegen verhard zijn of allebei onverhard, en als er geen borden, haaientanden of verkeerslichten zijn die de voorrang regelen.

Kruist een onverharde weg een verharde weg, dan is het kruispunt ongelijkwaardig, ook zonder borden. Bestuurders op de onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op de verharde weg.

Gelijkwaardig kruispunt: rechts gaat voor

Op een gelijkwaardig kruispunt verleen je voorrang aan bestuurders die van rechts komen. Dat geldt voor alle bestuurders, dus ook voor fietsers en bromfietsers. Het maakt niet uit of jij of de ander rechtdoor gaat of afslaat. Ook de breedte van de weg speelt geen rol.

Komt er iemand van links, dan moet die bestuurder jou voorrang verlenen.

Uitzonderingen: de tram en de agent

De tram. Op een kruispunt verleen je voorrang aan een tram, ook als die van links komt. Alleen borden of verkeerslichten kunnen dat anders regelen.

De agent. Regelt een agent of een verkeersregelaar het verkeer, dan volg je zijn aanwijzingen. Die gaan boven verkeerslichten, verkeersborden en de gewone voorrangsregels.

Voorrang kun je niet weggeven

Stel: je komt tegelijk met een auto van rechts bij een gelijkwaardig kruispunt aan. De bestuurder gebaart dat jij eerst mag. Wat doe je? Volgens de regels moet jij die bestuurder voorrang verlenen, en een gebaar verandert daar niets aan. Voorrang verlenen is een plicht. Je kunt voorrang niet van een ander krijgen. Wacht dus tot de auto van rechts voorbij is.

Ongelijkwaardig kruispunt: borden en haaientanden

Zodra borden, haaientanden of verkeerslichten de voorrang regelen, geldt rechts gaat voor niet meer. De tekens gaan dan voor op de regel.

  • Bord B1 is geel en ruitvormig, met een witte rand. Je rijdt op een voorrangsweg. Bestuurders op de kruisende wegen moeten jou voorrang verlenen.
  • Bord B6 is een witte driehoek met een rode rand en de punt naar beneden. Je verleent voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Is de kruising vrij, dan hoef je niet te stoppen.
  • Bord B7 is het achthoekige rode STOP-bord. Je stopt altijd helemaal voor de stopstreep, ook als er niemand aankomt. Daarna verleen je voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg.
  • Haaientanden zijn witte driehoeken op het wegdek. Wijzen de punten naar jou, dan verleen je voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Dat geldt ook als er geen bord staat.

Voorrang verlenen doe je aan iedereen op de kruisende weg. Dus ook aan een fietser of bromfietser, of die nu van rechts of van links komt.

Einde voorrangsweg

Bord B2 lijkt op bord B1, maar heeft zwarte strepen erdoor. Het betekent: einde voorrangsweg. Je rijdt dan niet meer op een voorrangsweg. Op de volgende kruispunten gelden weer de gewone regels. Regelen geen andere borden of lichten de voorrang, dan gaat verkeer van rechts weer voor.

Voetgangers en kwetsbare weggebruikers

Sla je af, dan laat je voetgangers op dezelfde weg voorgaan. Wil een voetganger rechtdoor oversteken over de weg die jij inslaat, dan wacht je.

Bij een voetgangersoversteekplaats, meestal een zebrapad, laat je voetgangers voorgaan die oversteken of duidelijk op het punt staan dat te doen. Dat geldt ook voor bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

Zie je een blinde met een witte stok met rode ringen, of iemand die zich moeilijk voortbeweegt? Dan laat je die persoon altijd voorgaan, ook als er geen zebrapad is. Claxonneren om te laten horen dat je eraan komt, is niet de bedoeling. Je claxon gebruik je alleen om dreigend gevaar af te wenden.

Keren, uitrit en wegrijden

Sommige handelingen zijn een bijzondere manoeuvre. Voorbeelden zijn wegrijden, achteruitrijden, keren, van rijstrook wisselen, een inrit oprijden en uit een uitrit de weg oprijden. Wie zo'n manoeuvre uitvoert, laat al het andere verkeer voorgaan. Wil je keren op de rijbaan, dan laat je dus iedereen op de weg eerst gaan.

Een erf of een 30 km-zone verlaat je vaak via een uitrit. Ook dan laat je al het verkeer op de weg voorgaan.

Een bus die wegrijdt van de halte

Binnen de bebouwde kom geef je een bus de gelegenheid om van de bushalte weg te rijden. Dat moet als de buschauffeur met zijn richtingaanwijzer laat zien dat hij wil wegrijden. Buiten de bebouwde kom geldt die plicht niet. Daar is wegrijden voor de bus een bijzondere manoeuvre, en laat de bus het andere verkeer voorgaan.

Voorrangsvoertuigen

Voertuigen van onder andere de politie, de brandweer en de ambulance kunnen voorrangsvoertuig zijn. Dat zijn ze alleen als ze twee signalen tegelijk voeren:

  • een blauw zwaai-, flits- of knipperlicht, en
  • een tweetonige hoorn, de sirene.

Een voorrangsvoertuig laat je altijd voorgaan. Het maakt niet uit of jij normaal voorrang hebt, bijvoorbeeld op een voorrangsweg. Maak ruimte, zodat het voertuig erdoor kan.

Heeft een politieauto alleen een zwaailicht aan en geen sirene, dan is het geen voorrangsvoertuig. Hetzelfde geldt voor alleen een sirene zonder blauw licht. In de praktijk maak je dan meestal wel ruimte, maar niet omdat het een voorrangsvoertuig is.

Naast de verplichte signalen mogen voorrangsvoertuigen overdag knipperende koplampen voeren. Ze mogen ook extra richtingaanwijzers hebben.

Een ambulance achter je bij rood licht

Sta je voor een rood verkeerslicht en komt er een ambulance met sirene en zwaailicht achter je? Maak dan voorzichtig ruimte als dat veilig kan, bijvoorbeeld door een stukje opzij te gaan. Je rijdt niet zomaar het kruispunt op.

Hulpdiensten uit België en Duitsland

Belgische en Duitse voorrangsvoertuigen hoeven geen Nederlandse signalen te voeren. Ze gebruiken de signalen die in hun eigen land verplicht zijn. Voeren ze die, dan laat je ze in Nederland ook voorgaan.

Een kruispunt naderen

Bij elk kruispunt minder je vaart en kijk je goed om je heen. Dat doe je ook als je voorrang hebt of als het licht op groen staat.

Je moet altijd kunnen stoppen binnen de afstand die je kunt overzien en die vrij is. Heb je goed zicht en komt er niemand? Dan mag je doorrijden, met een snelheid waarbij je nog kunt stoppen als er toch iemand opduikt. Heb je slecht zicht, bijvoorbeeld door een geparkeerde bus of een heg, dan rijd je juist langzamer of stop je.

Een kruispunt blokkeren is verboden. Rijd een kruispunt dus niet op als je aan de overkant vast kunt komen te staan in de file. Ook bij groen licht niet.

Springt het licht op groen, dan mag je rijden. Maar je hoeft niet meteen op te trekken. Kijk eerst of de overkant vrij is en of het verkeer van opzij echt stopt.

Let op op het examen

  • De breedte van de weg zegt niets over voorrang. Op een gelijkwaardig kruispunt telt alleen wie er van rechts komt.
  • Een politieauto met alleen een zwaailicht en geen sirene is geen voorrangsvoertuig. Maak wel ruimte als dat kan.
  • Gebaart een bestuurder van rechts dat jij eerst mag? Voorrang kun je niet weggeven. Wacht tot die bestuurder voorbij is.
  • Een bus die van de halte wegrijdt, laat je alleen binnen de bebouwde kom voorgaan, en alleen als de bus richting aangeeft.

Oefenvraag

Kies een antwoord

Je wilt rechtdoor op een gelijkwaardig kruispunt. Van links nadert een tram. Wat doe je?
Bekijk het antwoord en de uitleg

Het goede antwoord is B: Ik laat de tram voorgaan.

Een tram is een uitzondering op rechts gaat voor. Op een kruispunt verleen je voorrang aan een tram, ook als die van links komt. Alleen borden of verkeerslichten kunnen dat anders regelen.

Deze vraag hoort bij de les ‘Tram, agent en voorrang weggeven’ in Volgas.

Zo voelt een les in Volgas. Daar komt deze vraag terug als je hem fout hebt. Probeer een les zonder te downloaden

Borden in dit hoofdstuk

Voorrang in de app

In Volgas oefen je dit hoofdstuk in 11 lessen met samen 51 vragen. Bij elke vraag krijg je uitleg.

  1. Voorrang of voor laten gaan
  2. Wat is een kruispunt
  3. Voetgangers voor
  4. Bus, uitrit en erf
  5. Voorrangsvoertuigen
  6. Noodgevallen en buitenland
  7. Gelijkwaardig kruispunt
  8. Tram, agent en voorrang weggeven
  9. Ongelijkwaardig kruispunt
  10. Einde voorrang en noodgevallen
  11. Kruispunt naderen

Wat zegt de wet?

De regels in dit hoofdstuk staan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Veelgestelde vragen

Heeft een fietser van rechts voorrang op een auto?

Ja, op een gelijkwaardig kruispunt wel. De regel rechts gaat voor geldt voor alle bestuurders, dus ook voor fietsers en bromfietsers. Voetgangers doen niet mee in de voorrangsregels.

Wat is een gelijkwaardig kruispunt?

Een kruispunt waar beide wegen verhard of beide onverhard zijn, en waar geen borden, haaientanden of verkeerslichten de voorrang regelen. Daar geldt: verkeer van rechts gaat voor.

Heeft een ambulance zonder sirene voorrang?

Nee. Een voertuig is pas een voorrangsvoertuig als het blauw zwaai-, flits- of knipperlicht én een tweetonige hoorn voert. Zie of hoor je maar één van de twee, dan is het geen voorrangsvoertuig. Ruimte maken als het veilig kan, is wel verstandig.

Bronnen

  1. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)