Sectie 2, hoofdstuk 2: De weg op
Plaats op de weg: waar rijd je en waar niet?
De hoofdregel is kort: houd zoveel mogelijk rechts. Je leest hier wat de weg en de rijbaan precies zijn, wie waar rijdt, wat je als automobilist met fietsstroken mag en hoe je rijdt op eenrichtingswegen, smalle wegen, dijken en in de bergen.
In dit hoofdstuk
- Belangrijkste punten
- Rechts houden: de hoofdregel
- Rijbaan, rijstroken en vluchtstrook
- Zwakke weggebruikers
- Fietspaden, fietsstroken en suggestiestroken
- Fietsers en bromfietsers inhalen
- Eenrichtingswegen
- Tegenliggers, smalle wegen en gescheiden rijbanen
- Landelijke wegen en dijken
- Bergen en bochten
- Let op op het examen
- Oefenvraag
- Borden in dit hoofdstuk
- Veelgestelde vragen
Belangrijkste punten
- Je houdt zoveel mogelijk rechts, maar blijft op een veilige afstand van de stoeprand of de berm.
- De weg is meer dan het asfalt. Ook bermen, bruggen, duikers en paden horen erbij.
- Op een fietsstrook met een doorgetrokken streep mag je met de auto niet rijden. Stilstaan mag op geen enkele fietsstrook.
- Fietsers en snorfietsers rijden op het verplichte fietspad. Bromfietsers horen daar niet.
- Op een eenrichtingsweg sorteer je voor linksaf links voor.
- De vluchtstrook is alleen voor noodgevallen, behalve als hij als spitsstrook is opengesteld.
Rechts houden: de hoofdregel
De belangrijkste regel voor je plaats op de weg staat in één zin in de wet: bestuurders houden zoveel mogelijk rechts. Dat betekent niet dat je tegen de stoeprand of de berm aan rijdt. Blijf op een veilige afstand. Raken je rechterwielen een zachte berm, dan kun je de controle over je auto verliezen.
Wat is de weg eigenlijk? Volgens de Wegenverkeerswet is dat veel meer dan het asfalt waar auto's rijden. Alle wegen en paden die open zijn voor het verkeer horen erbij, met de bruggen en duikers erin en de bermen en zijkanten ernaast. Een berm is dus ook weg.
Rijbaan, rijstroken en vluchtstrook
De rijbaan is elk deel van de weg dat bedoeld is voor rijdende voertuigen. Fietspaden en fiets/bromfietspaden horen daar niet bij. Ze horen wel bij de weg.
Een rijbaan kan met strepen verdeeld zijn in rijstroken. De doorgaande rijbaan is de rijbaan zonder de invoegstroken en uitrijstroken. Wie invoegt of de weg verlaat, rijdt dus nog naast de doorgaande rijbaan.
Heeft de weg drie of meer rijstroken in jouw richting, dan hoort langzaam verkeer op de meest rechtse strook. Denk aan voertuigen die niet harder mogen dan 25 km per uur. Zo blijft het verkeer op de andere stroken doorrijden.
De vluchtstrook langs een autosnelweg of autoweg is geen gewone rijstrook. Je gebruikt hem alleen in noodgevallen, bijvoorbeeld bij pech. Op sommige drukke trajecten wordt de vluchtstrook opengesteld als extra rijstrook: de spitsstrook. Dat zie je aan bord C23-01 (spitsstrook open).
Zwakke weggebruikers
Voetgangers en fietsers noemen we zwakke of kwetsbare weggebruikers. Bij een botsing zijn zij veel slechter beschermd dan jij in je auto. Houd daar rekening mee, vooral bij kinderen.
Kinderen die samen spelen of uit school komen, doen vaak iets onverwachts. Rijd je langs een schoolplein, minder dan vaart en reken erop dat er iemand plotseling oversteekt. Claxonneren is geen goed idee. Kinderen schrikken ervan, en je claxon is alleen bedoeld om dreigend gevaar af te wenden.
Fietspaden, fietsstroken en suggestiestroken
Fietsers en snorfietsers rijden op het verplichte fietspad (bord G11) of het fiets/bromfietspad (bord G12a). Is dat er niet, dan rijden ze op de rijbaan. Bromfietsers horen niet op het verplichte fietspad. Zij rijden op het fiets/bromfietspad, en als dat er niet is op de rijbaan.
Een onverplicht fietspad (bord G13) mag een fietser gebruiken, maar het hoeft niet. Een snorfiets met een verbrandingsmotor mag er alleen op met de motor uit.
Een fietsstrook is een strook op de rijbaan, gemarkeerd met strepen en met afbeeldingen van een fiets erop. Wat jij als automobilist mag, hangt af van de streep:
- Doorgetrokken streep. Alleen fietsers, snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen erop. Jij rijdt er niet op, ook niet om voor te sorteren voor rechtsaf.
- Onderbroken streep. Je mag erop rijden, bijvoorbeeld om voor te sorteren voor rechtsaf. Hinder daarbij geen fietsers, snorfietsers of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.
Stilstaan en parkeren op een fietsstrook mag nooit, ook niet bij een onderbroken streep. Je mag zelfs niet stilstaan op de rijbaan naast een fietsstrook.
Een suggestiestrook lijkt op een fietsstrook, maar er staan geen fietssymbolen op. Volgens de wet is het dan gewoon een deel van de rijbaan. Je mag er met de auto gebruik van maken.
Fietsers en bromfietsers inhalen
Haal je een fietser in, geef dan veel ruimte. Een vaste afstand staat niet in de wet. Houd als richtlijn minstens een meter tussenruimte aan, en meer bij kinderen op de fiets. Fietsers wijken soms plotseling uit, door zijwind of voor een putdeksel, een tak of een kuil in het wegdek.
Is er te weinig ruimte om een fietser of bromfietser veilig in te halen, wacht dan even. Een bromfietser heeft bij een krappe inhaalactie te weinig ruimte om uit te wijken.
Fietsers mogen met z'n tweeën naast elkaar rijden. Snorfietsers en bromfietsers mogen dat niet. Zij rijden achter elkaar.
Eenrichtingswegen
Een eenrichtingsweg herken je aan de blauwe borden C3 en C4. Aan de kant waar je er niet in mag, staat bord C2. Verkeer gaat er maar één kant op. Keren om de weg terug te rijden mag dus niet.
Wil je op een eenrichtingsweg linksaf, dan sorteer je links voor. Er komt geen tegenverkeer, dus je houdt zoveel mogelijk links aan. Parkeren mag er aan beide kanten van de weg, tenzij borden of strepen iets anders aangeven.
Verwar de borden C3 en C4 niet met bord D4. Dat is een rond blauw bord met een witte pijl. Het betekent dat je de richting van de pijl moet volgen. Het zegt niet dat de weg een eenrichtingsweg is.
Tegenliggers, smalle wegen en gescheiden rijbanen
Op een smalle weg wijken jij en je tegenligger allebei uit, zonder elkaar te hinderen. Heeft de ander weinig ruimte, geef dan zelf extra ruimte. Komt er een vrachtauto aan, dan wijk jij liever uit. Een zware vrachtauto kan in een zachte berm wegzakken of zelfs kantelen.
Kom je met je rechterwielen toch in de berm? Rem niet hard en ruk niet aan het stuur, want in de berm heb je weinig grip. Laat het gas los, trap de koppeling in en stuur rustig terug naar de rijbaan.
Is een weg door een middenberm verdeeld in twee rijbanen en geven borden niets aan, dan rijd je op de rechter rijbaan. Dat volgt uit de hoofdregel. Steek je zo'n weg over, dan mag je tussen de twee rijbanen wachten als daar genoeg ruimte is.
Landelijke wegen en dijken
Op het platteland kom je trekkers, andere landbouwvoertuigen en ruiters tegen. Landbouwverkeer heeft soms slechte of zelfs geen verlichting. Let daar extra op in de schemering en in het donker.
Een ruiter gebruikt het ruiterpad (bord G9). Is er geen ruiterpad, dan mag hij in de berm of op de rijbaan rijden. Een paard kan schrikken. Geef dus ruimte en rijd rustig.
Een dijkweg is vaak smal en heeft schuin aflopende bermen. Opritten en afritten lopen omhoog. Daardoor zien andere weggebruikers je daar soms slecht.
Bord J27 waarschuwt voor overstekend groot wild. Steekt er een dier over, bijvoorbeeld een ree, houd dan het stuur recht en probeer niet uit te wijken. Uitwijken eindigt vaak in een ergere botsing, met een boom of een tegenligger. Heb je een dier aangereden, meld het dan bij de politie. Neem het dier nooit mee.
Bergen en bochten
In Nederland rijd je zelden in de bergen, maar op vakantie wel. Op een bergweg gaat verkeer dat omhoog rijdt voor op verkeer dat naar beneden rijdt. Wie bergop moet stoppen, krijgt zijn auto maar moeilijk weer in beweging.
Rijd je een steile helling af, kies dan dezelfde versnelling als waarmee je de helling op zou rijden. Laat de koppeling los. De motor remt dan mee. Met de koppeling ingetrapt of in de vrijloop rol je juist steeds sneller naar beneden.
Pas je snelheid aan voordat je een bocht in gaat, niet erin. Kijk vooraf hoe de bocht loopt. Remmen midden in een bocht maakt de auto onrustig en kan je laten slippen. Bij positieve verkanting ligt de buitenkant van de bocht hoger dan de binnenkant. Dat helpt je auto door de bocht. Bij negatieve verkanting is het andersom, en dat is gevaarlijker.
Bij dichte mist in de bergen is doorrijden erg gevaarlijk. Rijd hooguit stapvoets, of stop op een veilige plek tot het beter wordt.
Let op op het examen
- Een suggestiestrook zonder fietssymbolen is geen fietsstrook. Daar mag je met de auto gewoon rijden.
- Ook op een fietsstrook met een onderbroken streep mag je niet stilstaan of parkeren, zelfs niet als je niemand hindert.
- Bord C3 of C4 betekent eenrichtingsweg. Bord D4 is een verplichte rijrichting. Die borden betekenen niet hetzelfde.
- Bij overstekend wild houd je het stuur recht. Uitwijken leidt vaak tot een ergere botsing.
Oefenvraag
Kies een antwoord
Bekijk het antwoord en de uitleg
Het goede antwoord is B: Niet op rijden, niet op stilstaan, niet op parkeren.
Een fietsstrook met een doorgetrokken streep is alleen voor fietsers, snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Je mag er met de auto dus niet op rijden, ook niet om voor te sorteren. Stilstaan en parkeren mag op geen enkele fietsstrook, ook niet als er even geen fietsers zijn.
Deze vraag hoort bij de les ‘Fietspaden en fietsstroken’ in Volgas.
Zo voelt een les in Volgas. Daar komt deze vraag terug als je hem fout hebt. Probeer een les zonder te downloaden
Borden in dit hoofdstuk
-
C2, uitleg bekijken
Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee -
C3, uitleg bekijken
Eenrichtingsweg -
C4
Eenrichtingsweg -
C23-01
Spitsstrook open -
D4, uitleg bekijken
Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven -
G9
Ruiterpad -
G11, uitleg bekijken
Verplicht fietspad -
G12a
Fiets/bromfietspad -
G13
Onverplicht fietspad -
J27, uitleg bekijken
Groot wild
Plaats op de weg in de app
In Volgas oefen je dit hoofdstuk in 9 lessen met samen 43 vragen. Bij elke vraag krijg je uitleg.
- Rechts houden
- Zwakke weggebruikers
- Rijbaan en rijstroken
- Fietspaden en fietsstroken
- Inhalen van fietsers
- Eenrichtingswegen
- Tegenligger en gescheiden rijbanen
- Landelijke wegen en dijken
- Bergen en bochten
Wat zegt de wet?
De regels in dit hoofdstuk staan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
- Artikel 1 Wat de rijbaan, de doorgaande rijbaan, een fietsstrook, de vluchtstrook en de spitsstrook zijn
- Artikel 3 Zoveel mogelijk rechts houden; fietsers met z'n tweeën naast elkaar, snorfietsers niet
- Artikel 5 en 6 Welk fietspad fietsers, snorfietsers en bromfietsers gebruiken
- Artikel 8 Ruiters op het ruiterpad, en anders in de berm of op de rijbaan
- Artikel 10 Fietsstroken met doorgetrokken strepen alleen voor fietsers en gehandicaptenvoertuigen
- Artikel 17 Voorsorteren, ook links op een rijbaan voor één richting
- Artikel 23 Niet stilstaan op een fietsstrook of op de rijbaan ernaast
- Artikel 28 Geluidssignalen alleen om dreigend gevaar af te wenden
- Artikel 43 Vluchtstrook en berm van autosnelweg en autoweg alleen in noodgevallen
Veelgestelde vragen
Mag je met de auto op een fietsstrook rijden?
Bij een doorgetrokken streep niet. Bij een onderbroken streep mag het wel, bijvoorbeeld om voor te sorteren voor rechtsaf, zolang je fietsers en snorfietsers niet hindert. Stilstaan en parkeren mag op geen enkele fietsstrook.
Mogen fietsers naast elkaar rijden?
Ja, fietsers mogen met z'n tweeën naast elkaar rijden. Snorfietsers en bromfietsers mogen dat niet. Zij rijden achter elkaar.
Hoort de berm bij de weg?
Ja. Volgens de Wegenverkeerswet horen bij de weg ook de bermen en zijkanten, de paden en de bruggen en duikers. De berm hoort wel bij de weg, maar niet bij de rijbaan.