In dit hoofdstuk
  1. Belangrijkste punten
  2. Je stoel en stuur goed instellen
  3. Spiegels afstellen
  4. De autogordel
  5. Babyzitje en kinderzitje
  6. Zittingverhoger en de 1,35 meter-regel
  7. Het keurmerk van een kinderzitje
  8. Alleen op een echte zitplaats
  9. Let op op het examen
  10. Oefenvraag
  11. Veelgestelde vragen

Belangrijkste punten

  • Iedereen in de auto gebruikt de gordel die voor hem beschikbaar is. Er mogen niet meer passagiers mee dan er gordels zijn.
  • Kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter gebruiken een goedgekeurd autostoeltje of een zittingverhoger, voorin en achterin.
  • Een babyzitje dat tegen de rijrichting in staat, mag alleen voorin als de airbag aan die kant is uitgeschakeld.
  • Als bestuurder ben je verantwoordelijk voor passagiers jonger dan 12 jaar.
  • De heupgordel loopt zo laag mogelijk over je bekken. Een gedraaide gordel of een dikke jas maakt de gordel minder veilig.
  • Goed afgestelde spiegels maken de dode hoek klein, maar nooit helemaal weg. Kijk dus ook over je schouder.

Je stoel en stuur goed instellen

Een goede zithouding geeft je meer controle over de auto. En bij een botsing loop je minder kans op letsel. Stel alles daarom in voordat je wegrijdt.

  • Afstand tot de pedalen. Trap je een pedaal helemaal in, dan zijn je benen nog licht gebogen. Helemaal gestrekt of juist opgevouwen is niet goed.
  • Rugleuning. Zit met je rug tegen de leuning. Je polsen moeten dan net op de bovenkant van het stuur kunnen rusten. Tijdens het rijden zijn je armen licht gebogen.
  • Handen aan het stuur. Houd je handen op tien voor twee of kwart voor drie, aan de buitenkant van het stuurwiel. Je duimen liggen op het stuur, niet eromheen geklemd.
  • Hoofdsteun. De bovenkant van de hoofdsteun zit gelijk met de bovenkant van je hoofd. Tussen je hoofd en de steun zit 0 tot 4 centimeter. Zo beschermt de steun je nek bij een kop-staartbotsing.

Spiegels afstellen

Stel de binnenspiegel zo af dat je de hele achterruit ziet. Zo overzie je het verkeer direct achter je.

Stel de buitenspiegels zo af dat de horizon op ongeveer driekwart van de hoogte van de spiegel ligt. Dan zie je zoveel mogelijk van de weg naast en achter je auto.

Goed afgestelde spiegels maken de dode hoek zo klein mogelijk, maar nooit helemaal weg. Kijk daarom ook over je schouder als je van rijstrook wisselt of afslaat.

Goed uitzicht vraagt drie dingen: een goede zithouding, goed afgestelde spiegels en schone ruiten en spiegels. Haal ook weg wat je zicht blokkeert, zoals versiering op de ruit of bagage.

De autogordel

In een personenauto gebruiken de bestuurder en de passagiers de gordel die voor hen beschikbaar is. Dat geldt voorin en achterin.

Hebben de zitplaatsen gordels, dan mogen er niet meer passagiers mee dan er gordels zijn. Heeft de achterbank twee gordels, dan mogen daar maar twee passagiers zitten. Een derde persoon zonder gordel in het midden mag niet.

Als bestuurder ben je verantwoordelijk voor passagiers jonger dan 12 jaar. Zitten zij niet volgens de regels vast, dan ben jij in overtreding. Passagiers van 12 jaar en ouder zijn zelf verantwoordelijk voor hun gordel.

Zo zit de gordel goed

  • De heupgordel loopt zo laag mogelijk over je bekken, niet over je buik.
  • Het schuine deel loopt over je borstbeen, ribben en sleutelbeen. Niet langs je hals en niet onder je arm door.
  • De gordel zit strak en is niet gedraaid. Een gedraaide gordel verdeelt de kracht niet goed over je lichaam en kan bij een aanrijding in je vlees snijden.

Doe een dikke winterjas het liefst uit voordat je de gordel omdoet. Door de jas zit er speling in de gordel en werkt hij minder goed.

Draag de gordel zoals hij bedoeld is. Het schuine deel achter je rug langs of onder je arm door is niet toegestaan, ook niet als het tegen je hals schuurt. Heb je geen kinderzitje meer nodig, dan mag je wel een hulpstuk gebruiken dat het schuine deel over je schouder leidt.

Zwanger in de auto

Juist als je zwanger bent, is de gordel belangrijk. Leg het heupdeel zo laag mogelijk onder je buik, over je bekken. Het schuine deel loopt boven je buik langs, over je borst. Zo worden moeder en kind het best beschermd.

Een auto zonder gordels achterin

In oudere auto's zitten achterin soms geen gordels. Kinderen jonger dan 3 jaar mogen daar dan niet zitten, want zonder gordel kun je hun autostoeltje niet vastzetten. Kinderen vanaf 3 jaar en volwassenen mogen wel op zo'n achterbank zitten.

Babyzitje en kinderzitje

Een babyautostoeltje plaats je tegen de rijrichting in. Je zet het vast met de driepuntsgordel of met ISOFIX. Zo wordt de kwetsbare nek van de baby bij een botsing het best beschermd.

Wil je het babyzitje voorin zetten, dan moet de airbag aan die kant uit staan. Een zitje dat tegen de rijrichting in staat, mag niet voor een werkende airbag. Sommige auto's schakelen die airbag zelf uit.

Een kinderautostoeltje is voor kinderen die al zelfstandig kunnen zitten. Het kind zit vast met de vijfpuntsgordel van het zitje zelf. Het zitje zet je vast met de autogordel of met ISOFIX, afhankelijk van het model. Volg altijd de instructies van de fabrikant.

Zittingverhoger en de 1,35 meter-regel

Is een kind jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter, dan gebruikt het een goedgekeurd autostoeltje of een zittingverhoger. Dat geldt voorin en achterin. Een kind onder 1,35 meter mag dus gewoon voorin zitten, als het maar in zo'n zitje zit. Vanaf 1,35 meter is de gewone autogordel genoeg.

Een zittingverhoger zorgt dat de gordel goed over het lichaam van het kind loopt. Het schuine deel gaat over de schouder in plaats van langs de hals. De heupgordel ligt over het bekken in plaats van over de buik. Een gordel over de buik kan bij een botsing ernstig inwendig letsel geven.

Zitjes worden op twee manieren ingedeeld. De oude norm R44 kijkt naar gewicht en stopt bij 36 kilo. Voor kinderen die zwaarder zijn, bestaan onder die norm geen goedgekeurde verhogers. De nieuwere norm R129 (i-Size) kijkt naar lengte en kent zitjes en verhogers tot 1,50 meter. De wettelijke grens blijft in beide gevallen 1,35 meter.

Uitzonderingen

Soms mag een kind vanaf 3 jaar dat kleiner is dan 1,35 meter toch met de gewone autogordel mee:

  • Geen plek voor een derde zitje. Staan er achterin al twee kinderzitjes die in gebruik zijn en past er geen derde bij? Dan mag een derde kind op de overgebleven achterplaats de gewone autogordel gebruiken.
  • Af en toe een korte rit. Neem je een kind af en toe over een korte afstand mee, bijvoorbeeld een vriendje dat je na de training thuisbrengt? Dan mag het achterin met de gewone autogordel. Dat geldt niet als een ouder van dat kind de auto bestuurt, of eigenaar of houder van de auto is.

Het keurmerk van een kinderzitje

Een kinderzitje moet goedgekeurd zijn volgens een Europese norm, zoals ECE R44/04 of de nieuwere R129 (i-Size). R129 deelt zitjes in op lengte en test ook botsingen van opzij. Sinds 1 september 2024 mogen er geen nieuwe R44-zitjes meer worden verkocht. Een R44/04-zitje dat je al hebt, mag je blijven gebruiken.

Je herkent een goedgekeurd zitje aan het label. Daarop staat in een rondje een hoofdletter E met een getal. Dat getal staat voor het land dat het zitje heeft goedgekeurd. Verder staan er het goedkeuringsnummer en het gewicht of de lengte waarvoor het zitje geschikt is.

Alleen op een echte zitplaats

Tijdens het rijden zitten de bestuurder en de passagiers op de zitplaatsen die voor hen bestemd zijn. Zo'n zitplaats is gemaakt en getest voor gebruik onderweg, en heeft een gordel. Een geïmproviseerde zitplek biedt die bescherming niet. Denk aan een zitbank in een camper die niet bedoeld is om op te zitten tijdens het rijden.

Let op op het examen

  • Een kind kleiner dan 1,35 meter mag gewoon voorin zitten, als het in een goedgekeurd autostoeltje of op een zittingverhoger zit.
  • De airbagregel geldt voor zitjes die tegen de rijrichting in staan, niet voor elk kinderzitje voorin.
  • Drie mensen op een achterbank met twee gordels mag niet, ook niet als de middelste geen gordel om doet.
  • Het schuine deel van de gordel achter je rug of onder je arm door dragen mag niet, ook niet als het tegen je hals schuurt.

Oefenvraag

Kies een antwoord

Je hebt een kind van 1,30 meter dat voorin mee wil rijden. Wat geldt?
Bekijk het antwoord en de uitleg

Het goede antwoord is B: Voorin mag, als het kind in een goedgekeurd autostoeltje of op een zittingverhoger zit.

Een kind kleiner dan 1,35 meter mag voorin en achterin mee, zolang het in een goedgekeurd autostoeltje of op een zittingverhoger zit. De regel over de airbag geldt alleen voor een zitje dat tegen de rijrichting in staat.

Deze vraag hoort bij de les ‘Zittingverhoger’ in Volgas.

Zo voelt een les in Volgas. Daar komt deze vraag terug als je hem fout hebt. Probeer een les zonder te downloaden

Gordels en zithouding in de app

In Volgas oefen je dit hoofdstuk in 7 lessen met samen 28 vragen. Bij elke vraag krijg je uitleg.

  1. Zithouding en stoel
  2. Spiegels afstellen
  3. Autogordel verplicht
  4. Gordel: speciale gevallen
  5. Baby en kinderstoeltje
  6. Zittingverhoger
  7. Keurmerk en veiligheid

Wat zegt de wet?

De regels in dit hoofdstuk staan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

  • Artikel 58a Passagiers zitten op de zitplaatsen die voor hen bestemd zijn
  • Artikel 59 Gordelplicht, kinderbeveiligingssystemen, auto's zonder gordels en de airbag
  • Artikel 59b Uitzonderingen: een derde kind achterin en af en toe een korte rit

Veelgestelde vragen

Mag een kind voorin zitten?

Ja. Een kind kleiner dan 1,35 meter mag voorin, als het in een goedgekeurd autostoeltje of op een zittingverhoger zit. Staat het zitje tegen de rijrichting in, dan moet de airbag aan die kant uit staan.

Vanaf welke lengte hoeft een kind geen zittingverhoger meer?

Vanaf 1,35 meter. Is een kind jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter, dan gebruikt het een goedgekeurd autostoeltje of een zittingverhoger. Er zijn een paar uitzonderingen, bijvoorbeeld als er achterin geen plek is voor een derde zitje.

Wie is verantwoordelijk als een passagier geen gordel draagt?

Voor passagiers jonger dan 12 jaar is de bestuurder verantwoordelijk. Passagiers van 12 jaar en ouder zijn zelf verantwoordelijk voor het dragen van hun gordel.

Bronnen

  1. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)