In dit hoofdstuk
  1. Belangrijkste punten
  2. Welke verlichting je auto moet hebben
  3. Dimlicht
  4. Stadslicht
  5. Groot licht
  6. Mistlicht voor en achter
  7. De juiste lampen bij slecht zicht
  8. Richting aangeven
  9. Alarmlichten
  10. Claxon en lichtsignalen
  11. Let op op het examen
  12. Oefenvraag
  13. Veelgestelde vragen

Belangrijkste punten

  • Bij nacht, van zonsondergang tot zonsopgang, voer je dimlicht. Overdag doe je dat als het zicht ernstig belemmerd is.
  • Groot licht mag alleen bij nacht. Niet als je iemand tegenkomt en niet als je kort achter een ander voertuig rijdt.
  • Mistvoorlicht mag bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmert. Het mistachterlicht mag alleen bij mist of sneeuwval met zicht onder de 50 meter.
  • Stadslicht is er voor een stilstaande auto, niet om mee te rijden.
  • Bij afslaan en bij elke andere belangrijke zijdelingse verplaatsing geef je richting aan, ook als er niemand in de buurt lijkt te zijn.
  • Claxon en lichtsignalen gebruik je alleen om dreigend gevaar af te wenden.

Welke verlichting je auto moet hebben

Een personenauto moet onder meer groot licht, dimlicht, stadslicht, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten en verlichting van de achterkentekenplaat hebben. Is de auto in 1998 of later in gebruik genomen, dan horen daar ook alarmlichten, een mistachterlicht en een achteruitrijlicht bij.

Mistvoorlichten en dagrijlichten mogen, maar ze zijn niet verplicht.

De verplichte lampen moeten goed werken. Dat geldt altijd, dus ook overdag. Is op een zonnige ochtend een koplamp kapot, dan ga je er niet mee de weg op. Vervang eerst het lampje of laat de lamp repareren. Reservelampen zijn niet verplicht, maar wel handig om bij je te hebben.

Dimlicht

Dimlicht is je gewone verlichting in het donker. Je voert dimlicht bij nacht. In de wet is nacht de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang. Is het na zonsondergang nog een beetje licht, dan hoort je dimlicht dus toch al aan.

Overdag voer je dimlicht als het zicht ernstig belemmerd is, bijvoorbeeld door zware regen, mist of sneeuw. Alleen stadslicht is dan niet genoeg. Dagrijlicht ook niet, want dat brandt alleen aan de voorkant.

Rijd je overdag een tunnel in, zet dan ook je dimlicht aan. In een tunnel zie je minder en word je slechter gezien, ook als er lampen branden.

Voer je dimlicht, dan branden ook je achterlichten en de verlichting van je achterkentekenplaat. Dat is verplicht. Die lampen branden altijd mee met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht. Zo ben je ook van achteren goed te zien.

Stadslicht

De naam is verwarrend. Stadslicht is niet bedoeld om mee door de stad te rijden. Het maakt vooral een stilstaande auto zichtbaar. Rijd je in het donker, dan voer je dimlicht. Ook op een weg of snelweg met straatverlichting.

Sta je stil buiten de bebouwde kom op de rijbaan, dan voer je bij nacht stadslicht en achterlicht. Dat doe je ook overdag als het zicht ernstig belemmerd is. Hetzelfde geldt als je stilstaat op een parkeerstrook, parkeerhaven, vluchtstrook of vluchthaven langs een autosnelweg of autoweg.

Groot licht

Groot licht verlicht de weg ver voor je uit. Je mag het gebruiken in plaats van dimlicht, maar niet altijd. Groot licht mag niet:

  • overdag;
  • als je een andere weggebruiker tegenkomt;
  • als je op korte afstand achter een ander voertuig rijdt.

Een andere weggebruiker is iedereen, dus ook een fietser of een voetganger. Schakel op tijd terug naar dimlicht, zodat je niemand verblindt. Rijd je dicht achter een auto, dan verblind je de bestuurder via zijn binnen- en buitenspiegels. Ook dan dim je.

Mistlicht voor en achter

Het mistvoorlicht mag aan bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmert. De wet noemt daarvoor geen vaste afstand. Als vuistregel wordt vaak zicht van ongeveer 200 meter of minder aangehouden. Voer je mistvoorlicht, dan hoeft je dimlicht niet aan. In mist kan dimlicht je juist verblinden, doordat het licht terugkaatst.

Het mistachterlicht is een fel rood licht. Het mag alleen aan bij mist of sneeuwval als je minder dan 50 meter ver kunt kijken. Bij regen mag het niet, ook niet bij een flinke bui. Je verblindt er dan de bestuurders achter je mee.

De juiste lampen bij slecht zicht

Bij slecht weer kies je je verlichting zo:

  • Zware regen overdag: dimlicht, eventueel met mistvoorlicht erbij. Het mistachterlicht blijft uit.
  • Dichte mist met zicht onder de 50 meter: dimlicht en mistvoorlicht, met het mistachterlicht erbij.
  • Groot licht gebruik je in mist niet. Het licht kaatst terug, waardoor je zelf verblind raakt.

Dagrijlicht mag overdag, maar het vervangt je dimlicht niet. Het brandt alleen aan de voorkant. Wordt het zicht ernstig belemmerd, dan zet je dimlicht aan. Dan branden ook je achterlichten en je kentekenplaatverlichting.

Zie je minder, dan heb je ook minder tijd om te reageren. Houd dus meer afstand. Bij mist maak je van de tweesecondenregel liever drie seconden.

Richting aangeven

Met je richtingaanwijzer laat je zien wat je van plan bent. Je geeft richting aan voordat je afslaat. En ook bij elke andere belangrijke zijdelingse verplaatsing, zoals:

  • wegrijden vanaf de kant van de weg;
  • inhalen;
  • invoegen en uitvoegen;
  • van rijstrook wisselen.

Dat doe je ook als er geen ander verkeer in de buurt lijkt te zijn. Er kan altijd iemand aankomen die je niet hebt gezien.

Geef op tijd richting aan. Hoe harder je rijdt, hoe eerder. Als vuistregel geef je op een 80 km-weg ongeveer 150 meter voor het kruispunt richting aan. Op de autosnelweg doe je dat ongeveer 300 meter voor de uitrijstrook.

Ben je klaar met inhalen of van rijstrook wisselen, zet de richtingaanwijzer dan meteen uit. Een knipperlicht dat blijft aanstaan, geeft anderen verkeerde informatie.

Alarmlichten

Met de alarmlichten knipperen alle richtingaanwijzers tegelijk. Daarmee laat je zien dat er iets aan de hand is. Je gebruikt ze bijvoorbeeld:

  • als je met pech stilstaat;
  • als je auto wordt gesleept;
  • als je op een gevaarlijke plek stilstaat of slecht zichtbaar bent;
  • als je plotseling achter in een file terechtkomt, om de bestuurders achter je te waarschuwen.

Zet ze weer uit zodra het niet meer nodig is, bijvoorbeeld als de file weer rijdt. Sta je netjes geparkeerd, dan horen je alarmlichten uit.

Staat je auto stil als een obstakel dat anderen niet op tijd kunnen zien? Dan moet je een gevarendriehoek plaatsen. Voer je alarmlichten, dan hoeft die driehoek niet.

Zie je zelf een auto met alarmlichten aan, wees dan extra alert. Er is iets aan de hand. Pas je snelheid aan en ga niet haastig inhalen.

Claxon en lichtsignalen

Toeteren of knipperen met je koplampen mag alleen om dreigend gevaar af te wenden. Rent er een kind vlak voor je de weg op? Dan toeter je kort en rem je. Remmen, en zo nodig uitwijken, blijft het belangrijkste.

In alle andere gevallen zijn zulke signalen verboden. Dus niet toeteren als groet of afscheid, en ook niet uit ergernis over iemand die langzaam rijdt. Met je lichten knipperen om anderen te waarschuwen voor een snelheidscontrole mag ook niet.

Let op op het examen

  • Stadslicht is geen rijverlichting. Rijd je in het donker, ook op een verlichte snelweg, dan voer je dimlicht.
  • Het mistachterlicht blijft uit bij regen, ook bij een zware bui. Het mag alleen bij mist of sneeuwval met zicht onder de 50 meter.
  • Groot licht dim je niet alleen voor tegenliggers. Ook voor fietsers en voetgangers, en als je kort achter iemand rijdt.
  • Met je lichten knipperen om anderen te waarschuwen voor een snelheidscontrole is verboden.

Oefenvraag

Kies een antwoord

Je rijdt op korte afstand achter een andere auto. Wat geldt er voor je groot licht?
Bekijk het antwoord en de uitleg

Het goede antwoord is B: Groot licht is verboden, want je verblindt de bestuurder via zijn binnen- en buitenspiegels.

Rijd je kort achter een ander voertuig, dan schakel je over op dimlicht. Via de spiegels verblindt groot licht de bestuurder voor je net zo goed als een tegenligger. Dat geldt op elke weg, niet alleen op de snelweg.

Deze vraag hoort bij de les ‘Groot licht’ in Volgas.

Zo voelt een les in Volgas. Daar komt deze vraag terug als je hem fout hebt. Probeer een les zonder te downloaden

Verlichting en signalen in de app

In Volgas oefen je dit hoofdstuk in 9 lessen met samen 37 vragen. Bij elke vraag krijg je uitleg.

  1. Verplichte verlichting
  2. Dimlicht
  3. Stadslicht
  4. Groot licht
  5. Mistlicht
  6. Slecht zicht
  7. Richtingaanwijzer
  8. Alarmlichten
  9. Claxon en lichtsignalen

Wat zegt de wet?

De regels in dit hoofdstuk staan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

  • Artikel 1 Begrippen: dag en nacht
  • Artikel 17 Richting aangeven voordat je afslaat
  • Artikel 28 en 31 Geluids- en knippersignalen alleen om dreigend gevaar af te wenden
  • Artikel 32 Dimlicht, groot licht en achterlicht met kentekenplaatverlichting
  • Artikel 34 Mistlicht aan de voorzijde en mistachterlicht
  • Artikel 38 Stadslicht en achterlicht bij stilstaan buiten de bebouwde kom
  • Artikel 41 Dagrijlicht
  • Artikel 55 Richting aangeven bij wegrijden, inhalen, rijstrook wisselen en andere zijdelingse verplaatsingen
  • Artikel 58 Alarmlichten in plaats van een gevarendriehoek

Veelgestelde vragen

Moet je overdag je lichten aan?

Niet altijd. Overdag voer je dimlicht als het zicht ernstig belemmerd is, bijvoorbeeld door zware regen, mist of sneeuw. Bij goed zicht mag je dagrijlicht voeren, maar dat hoeft niet.

Mag het mistachterlicht aan als het hard regent?

Nee. Het mistachterlicht mag alleen aan bij mist of sneeuwval als je minder dan 50 meter ver kunt kijken. Bij regen verblind je er achterliggers mee. Het mistvoorlicht mag bij zware regen wel.

Mag je rijden met een kapotte koplamp?

Nee. De verplichte verlichting van je auto moet altijd goed werken, ook overdag. Vervang eerst het lampje of laat de lamp repareren.

Bronnen

  1. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
  2. Regeling voertuigen, artikel 5.2.51: verplichte lichten van een personenauto
  3. Regeling voertuigen, artikel 5.2.55: lichten moeten goed werken
  4. Regeling voertuigen, artikel 5.2.57: toegestane lichten zoals mistvoorlicht en dagrijlicht