Stel je een kruispunt voor van twee verharde wegen, zonder borden, haaientanden of verkeerslichten. Vier wegen komen samen: uit het noorden, oosten, zuiden en westen. Jij komt steeds uit het zuiden. Wat rechts van je ligt, is dan de weg uit het oosten.
Hoe rechts gaat voor werkt tussen twee bestuurders, staat op de pagina over voorrang verlenen en voor laten gaan. Hier gaat het om het moment dat er meer mensen tegelijk aankomen en je een volgorde moet bepalen.
De twee regels die je nodig hebt
De eerste is artikel 15 RVV 1990. Op een kruispunt verleen je voorrang aan bestuurders die van rechts komen. Er zijn twee uitzonderingen: wie op een onverharde weg rijdt, verleent voorrang aan wie op een verharde weg rijdt, en iedereen verleent voorrang aan een tram.
De tweede is artikel 18. Wie afslaat, laat het verkeer op dezelfde weg voorgaan: tegenliggers, en wie naast of vlak achter je rijdt. Sla je linksaf, dan laat je ook een tegenligger voorgaan die op hetzelfde kruispunt rechtsaf slaat.
Belangrijk is wie meedoet. Artikel 1 noemt iedere weggebruiker behalve een voetganger een bestuurder. Een fietser van rechts gaat dus net zo goed voor als een auto van rechts.
De werkwijze is steeds dezelfde. Kijk per bestuurder of er rechts van hem iemand staat. Wie rechts niemand heeft en ook geen tegenligger voor hoeft te laten gaan, mag als eerste. Daarna schuift de volgorde op.
Drie auto's, alle drie rechtdoor
Jij komt uit het zuiden, een tweede auto uit het oosten, een derde uit het noorden. Iedereen gaat rechtdoor.
- Rechts van jou staat de auto uit het oosten. Jij wacht.
- Voor de auto uit het oosten is het noorden rechts. Daar staat de derde auto, dus ook hij wacht.
- Voor de auto uit het noorden is het westen rechts. Die weg is leeg.
De auto uit het noorden rijdt als eerste. Daarna heeft de auto uit het oosten rechts niemand meer en gaat hij. Jij bent als laatste.
Dat jij en de auto uit het noorden elkaars pad niet kruisen, maakt niet uit. De auto uit het oosten moet zelf nog wachten, maar hij komt van rechts en dus verleen jij hem voorrang: je stelt hem in staat ongehinderd zijn weg te vervolgen, zo omschrijft artikel 1 het.
Linksaf, met een fietser erbij
Nu wil jij uit het zuiden linksaf, naar het westen. Uit het oosten komt een fietser die rechtdoor gaat, en uit het noorden komt een auto die rechtdoor gaat, dus recht op je af.
- De fietser komt van rechts. Hem verleen je voorrang op grond van artikel 15.
- De auto uit het noorden is je tegenligger op dezelfde weg. Omdat jij afslaat, laat je hem voorgaan op grond van artikel 18.
- Voor de fietser is het noorden rechts. Daar komt de auto, dus de fietser wacht.
- Voor de auto uit het noorden is het westen rechts. Leeg.
De volgorde wordt: de auto uit het noorden, dan de fietser, dan jij. Je wacht hier om twee verschillende redenen, en allebei moeten ze opgelost zijn voor je mag.
Een kleine variant: slaat de tegenligger rechtsaf, naar het westen, dan wil hij dezelfde straat in als jij. Ook dan gaat hij voor, want artikel 18 lid 2 zegt dat wie linksaf slaat een tegenligger die rechtsaf slaat voor laat gaan. Meer over afslaan en voorsorteren staat bij afslaan en bijzondere voorrangssituaties.
Als er ook een tram aankomt
Jij gaat uit het zuiden rechtdoor. Uit het oosten komt een auto die rechtdoor gaat, en uit het westen, dus van links, komt een tram.
Zonder tram was het eenvoudig: de auto uit het oosten komt van rechts en heeft rechts zelf niemand, dus hij eerst, dan jij. De tram verandert dat. Artikel 15 lid 2 zegt dat bestuurders voorrang verlenen aan een tram, en dat geldt voor jou en voor de auto uit het oosten, ongeacht de richting waaruit de tram komt.
De tram gaat dus eerst, dan de auto uit het oosten, dan jij.
Slaat de tram af, dan helpt artikel 18 je niet. Lid 3 zegt dat de regels over voor laten gaan bij afslaan niet gelden voor een trambestuurder. Een tram die je tegemoet komt en linksaf voor je langs gaat, hoeft jou dus niet voor te laten gaan zoals een auto dat zou moeten. Wat er verder bij een tram in de stad komt kijken, lees je in samen met de tram op straat.
Vier tegelijk
Nu komen er uit alle vier richtingen tegelijk auto's, en iedereen gaat rechtdoor. Elke bestuurder heeft iemand rechts van zich. Volgens artikel 15 wacht dus iedereen op iemand anders, en er is niemand die als eerste mag.
De voorrangsregels geven hier geen uitkomst. Artikel 15 en 18 kennen geen aanvullende regel die voor dit geval een volgorde vastlegt. Twee dingen blijven wel gewoon gelden.
De plicht om voorrang te verlenen ligt bij de bestuurder die van rechts iemand heeft. Artikel 15 noemt maar twee uitzonderingen, de onverharde weg en de tram, en een gebaar van een ander hoort daar niet bij. Meer over die plicht staat op de pagina over voorrang en voor laten gaan.
En artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt iedereen om gevaar op de weg te veroorzaken of het verkeer te hinderen. Die regel geldt altijd, ook als de voorrangsregels vastlopen. Wie het kruispunt op rijdt, doet dat dus zo dat niemand in gevaar komt of gehinderd wordt.
Zodra een van de vier is doorgereden, is de kring doorbroken. Wie daarna rechts van zich niemand meer heeft, gaat, en vanaf dat moment werk je de volgorde af zoals in de eerste situatie.