Een auto blijft op de linkerrijstrook hangen terwijl rechts ruimte is. Je mag er dan niet zomaar rechts langs. Rechts inhalen is alleen toegestaan in bepaalde situaties; een langzame auto links is op zichzelf geen uitzondering.
Een invoegstrook die eindigt en een rijstrook die ophoudt: in beide gevallen moet iemand opschuiven. Het RVV 1990 zegt wie dan wacht. Het woord ritsen staat er niet in.
Bij een zebrapad kunnen verkeerslichten de regel veranderen. Ook bij een aarzelende voetganger of een stilvallende file moet je bepalen wat je doet. Hier lees je welke regels gelden, inclusief het inhaalverbod vlak voor de strepen.
Bord B6 en de driehoekige waarschuwingsborden uit serie J hebben allebei een rode rand. B6 verplicht je om voorrang te verlenen, serie J waarschuwt voor gevaar. Maar de punt omhoog betekent niet altijd een waarschuwing: ook B3, B4 en B5 regelen voorrang.
Een fietspad kruist je weg, met witte blokken over de rijbaan. Die blokken regelen de voorrang niet. Haaientanden, borden en de gewone voorrangsregel doen dat wel, en rechtsaf over een fietspad langs je eigen weg valt onder een andere regel.
Een spitsstrook is de ene keer een rijstrook en de andere keer een vluchtstrook. Welke van de twee hij op dit moment is, lees je af aan drie borden en aan het licht boven de strook.
De vorm van een blauw bord helpt bij het herkennen, maar geeft geen zekerheid over de betekenis. Ook rechthoekige borden kunnen regels opleggen. Kijk bijvoorbeeld naar het erf of de parkeerplaats voor vergunninghouders.
Op een gelijkwaardig kruispunt laat je een tram voorgaan, ook als hij van links komt. Haaientanden of verkeerslichten kunnen dat veranderen. Verder gelden er aparte regels voor de trambaan en voor het voorbijrijden bij een halte.
Een fietsstraat ziet eruit alsof er eigen regels gelden. Dat is niet zo: het RVV 1990 kent het begrip niet en het bord 'auto te gast' is geen officieel verkeersbord. Wat je daar mag, volgt uit de regels die op elke weg gelden.
Bord C22e zegt alleen dat de weg dicht is vanwege emissie-eisen. Voor welke voertuigen en welke emissieklassen dat geldt, staat op het onderbord eronder. Het hoofdbord alleen geeft dus geen antwoord.
Bij een evenement of wegwerkzaamheden staat iemand in een geel-oranje hes op het kruispunt en steekt een arm uit. Het RVV 1990 legt in bijlage 2 acht aanwijzingen vast. Hier staan ze op een rij, met wat elk gebaar van jou vraagt.
Als meer bestuurders tegelijk aankomen, bekijk je per bestuurder wie hij moet laten voorgaan. Daarbij gelden zowel rechts gaat voor als de regels voor afslaan. Hieronder werk je de volgorde uit, ook met een fietser of tram erbij.
Bij bord F1 mogen motorvoertuigen elkaar niet inhalen. Voor brommobielen geldt dat verbod ook. Een fietser of gewone bromfietser mag je er wel inhalen, zolang de andere regels dat toelaten.
Je rijdt een parkeerterrein af, over een trottoir dat gewoon doorloopt. Een uitrit is iets anders dan een kruispunt, en rechts gaat voor geldt er niet. Je laat al het verkeer voorgaan, ook de voetganger op de stoep.
Lees een onderbord altijd samen met het verkeersbord erboven. Het kan de werking beperken tot bepaalde tijden of weggebruikers. Bij symbolen maakt het woord 'uitgezonderd' verschil: dan geldt het bord juist niet voor de afgebeelde groep.
Staat onder bord C2 een fietsje met het woord 'uitgezonderd', dan mogen fietsers vanaf die kant de eenrichtingsweg in. Houd dus rekening met tegenverkeer en met fietsers uit de zijstraat bij een kruispunt.
Bij een einde-bord vervalt de regel die het bord noemt. Bepaal daarna welke verkeersregels op die plek gelden en kijk welke andere tekens er staan. Na einde maximumsnelheid kan bijvoorbeeld de wettelijke limiet weer gelden.
Je rijdt een zone 30 in en slaat daarna twee keer af. Er staat nergens opnieuw een bord 30. Toch geldt de limiet nog: het bord hoort bij het gebied dat je bent ingereden.
Rijdt er een fietser voor je vlak voor jouw afslag, beoordeel dan ook wat er na het inhalen gebeurt. Bij het rechts afslaan laat je een rechtdoorgaande fietser op dezelfde weg naast of dicht achter je voorgaan.
Artikel 53 RVV stelt een maximum van vijf meter tussen de auto's. Of je veilig kunt slepen, hangt ook af van het voertuig en de situatie. Bij pech op de snelweg zorg je eerst dat jij en je passagiers veilig staan.