Je rijdt door een straat waar ook een tram rijdt. Bij het kruispunt bepaal je wie voorgaat; verderop wil je misschien inhalen of passeer je een halte. Hieronder lees je welke regels op die momenten gelden en hoe je de eigen baan en verkeerslichten van de tram herkent.
Het kruispunt zonder borden
Op een kruispunt zonder borden, haaientanden of lichten gaat verkeer van rechts voor. Artikel 15 RVV 1990 noemt daar twee uitzonderingen op, waaronder de tram. Je verleent voorrang aan de bestuurder van een tram, ook als hij van links komt.
Voorrang verlenen betekent volgens artikel 1 dat de ander ongehinderd zijn weg kan vervolgen. Bij een tram is dat letterlijk: hij rijdt over rails en kan niet om je heen sturen. De basis van rechts gaat voor en het verschil met voor laten gaan staat op de pagina over voorrang en voor laten gaan. Hoe het zit met een tram die afslaat, lees je bij afslaan en bijzondere voorrangssituaties.
Als de haaientanden voor de tram liggen
De voorrang uit artikel 15 is een verkeersregel, en artikel 63 zegt dat verkeerstekens boven verkeersregels gaan als ze met elkaar botsen. Een bord of een markering kan de tram dus laten wachten.
Kijk daarvoor wie de tekens ziet. Bord B6 betekent: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Bord B7 zegt hetzelfde, met eerst stoppen. Haaientanden hebben volgens artikel 80 dezelfde betekenis. In het RVV is iedere weggebruiker behalve een voetganger een bestuurder, en de bestuurder van een tram hoort daar uitdrukkelijk bij. Liggen de haaientanden aan de kant van de tram en rijd jij op de kruisende weg, dan verleent de tram jou voorrang.
Zie je die tekens zelf, dan verleen jij voorrang aan alles op de kruisende weg, de tram inbegrepen. En staan er verkeerslichten, dan gaan die volgens artikel 64 weer boven de borden en haaientanden die de voorrang regelen.
Over B6 en de andere borden in de vorm van een driehoek gaat het artikel over driehoekige borden. Een tramkruising heeft in bijlage 1 een eigen waarschuwingsbord: J14.
Een baan of strook alleen voor trams
Soms heeft de tram een eigen baan. In bijlage 1 van het RVV staan daar twee borden voor. Bord F15 geeft een rijbaan of rijstrook aan die uitsluitend bedoeld is voor trams; F16 is het einde daarvan. Bord F17 geldt voor een baan of strook die uitsluitend bedoeld is voor lijnbussen en trams, met F18 als einde.
Uitsluitend betekent hier dat jij er met je auto niet op hoort. Een overzicht van deze en andere F-borden vind je bij inhaalverboden, busbanen en geboden.
Staat er geen bord maar het woord BUS of LIJNBUS op het wegdek, dan geldt artikel 81. Op een baan met BUS mogen lijnbussen, autobussen en trams rijden, op een baan met LIJNBUS alleen lijnbussen en trams. Een auto staat in geen van beide rijtjes.
Een tram inhalen
De tram rijdt voor je in dezelfde straat en jij wilt erlangs. Artikel 11 begint met de hoofdregel dat je links inhaalt. Lid 5 voegt eraan toe dat je een tram rechts mag inhalen. Je mag het, je hoeft het niet: links blijft volgens de hoofdregel ook toegestaan.
Twee grenzen blijven gelden. Volgens de definities in artikel 1 is een tram een voertuig, en artikel 12 verbiedt je een voertuig in te halen vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats. Een tram vlak voor of op een zebrapad inhalen mag dus niet, ook niet rechts. Wat er verder bij een zebrapad bijkomt, staat in het artikel over het zebrapad in lastige situaties. Voor andere situaties waarin je rechts mag inhalen, zie wanneer je rechts langs een langzame auto mag.
Bij de halte
De tram stopt bij een halte en jij wilt erlangs. Artikel 52 gaat over precies dit moment: wil je een stilstaande tram of autobus voorbijrijden aan de kant waar passagiers in- en uitstappen, dan moet je hun de gelegenheid geven dat te doen.
Het artikel noemt geen vaste afstand of snelheid. Stappen mensen in of uit aan jouw kant, dan geef je hun de ruimte, ook als je daarvoor moet wachten. De halte zelf herken je aan bord L3, voor een bus- of tramhalte. De bus- en tramhalte komt ook kort aan bod in het hoofdstuk over rotondes en bijzondere weggedeelten.
Tram/buslichten zijn niet voor jou
Bij sommige kruispunten staan naast de gewone verkeerslichten ook tram/buslichten. Artikel 70 geeft de betekenis: wit licht of wit knipperlicht betekent doorgaan, geel en rood betekenen stop. Het witte licht geldt alleen voor de richting die het aangeeft.
Belangrijker voor jou is lid 3: deze lichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus. Gebruikt een ander voertuig dan een lijnbus een busbaan of busstrook, dan geldt het tram/buslicht volgens lid 4 ook voor die bestuurder. Op de gewone rijbaan volg je het driekleurige licht uit artikel 68.
Een wit licht voor de tram terwijl jij rood hebt, betekent dus niets voor jou. Wacht op je eigen groen. Hoe de andere lichten en markeringen werken, staat bij lichten en markeringen.