Een auto krijgt pech en een andere bestuurder biedt aan hem mee te nemen aan een sleepkabel. Voor je theorie moet je daarbij één precieze afstand kennen: die tussen de achterzijde van de trekkende auto en de voorzijde van de gesleepte auto. Artikel 53 RVV 1990 stelt die afstand op maximaal vijf meter.
Waar meet je die vijf meter?
De wet noemt de achterzijde en de voorzijde van de voertuigen. Je meet dus niet van het midden van de ene auto tot het midden van de andere. Ook de totale lengte van beide auto's samen is hier niet bedoeld.
Een vraag met een tekening kan de maat op verschillende plaatsen zetten. Kijk daarom eerst waar de meetlijn begint en eindigt. Een afstand van zes meter tussen de auto's overschrijdt de grens. Bij precies vijf meter wordt de afstandsgrens niet overschreden. Daarmee weet je alleen iets over artikel 53, nog niet of de volledige sleepsituatie veilig en toegestaan is.
De lengte op de verpakking van een sleepkabel is evenmin de formulering uit het wetsartikel. Onthoud de maat tussen de voertuigen, zodat je bij een andere afbeelding nog steeds weet wat je moet beoordelen.
Mag je met die afstand altijd gaan slepen?
Uit artikel 53 volgt geen algemene goedkeuring voor elke auto met pech. Het artikel regelt de afstand. Welke sleepmethode bij een specifiek voertuig en een specifieke storing past, kun je er niet uit afleiden.
Raadpleeg daarvoor de voertuiginstructies en overleg met de pechhulpverlener. Dat is praktisch advies; het is geen extra bepaling uit artikel 53. Twijfel je of de auto verantwoord kan worden verplaatst, laat de hulpverlener dat beoordelen.
De algemene regel van artikel 5 WVW blijft ondertussen gelden: je mag geen gevaar of hinder op de weg veroorzaken of kunnen veroorzaken. Voldoen aan de vijfmetergrens is dus maar één onderdeel van de beoordeling.
Zijn alarmlichten tijdens het slepen verplicht?
Artikel 53 zegt niets over verlichting. Artikel 58, dat vaak naast de sleepregel wordt aangehaald, gaat over stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens die een obstakel vormen dat naderende bestuurders niet tijdig kunnen opmerken.
Voor zo'n stilstaand obstakel schrijft artikel 58 een gevarendriehoek voor. Die staat goed zichtbaar, ongeveer dertig meter van het voertuig, aan de kant waar het naderende verkeer gevaar loopt. Voert het voertuig knipperende waarschuwingslichten, dan geldt die driehoekplicht niet.
Die bepaling levert geen algemene plicht op om tijdens het rijden met een sleepkabel alarmlichten te voeren. Haal een regel voor een stilstaande pechauto dus niet automatisch over naar een rijdende sleepcombinatie. De gewone uitleg over verlichting behandelt de afzonderlijke lichtregels.
Eerst veilig staan bij snelwegpech
Rijkswaterstaat adviseert om bij pech, als dat nog kan, door te rijden naar een vluchthaven, parkeerplaats of tankstation. Breng jezelf en je passagiers vervolgens zo ver mogelijk in de berm of achter de vangrail in veiligheid en bel vanaf daar je pechhulpverlener. Bij acuut gevaar of stilstand op een geopende spitsstrook bel je 112.
Zelf vanaf de snelweg terugrijden naar een gestrande auto is geen oplossing. Artikel 43 verbiedt keren en achteruitrijden op autosnelwegen en autowegen. Ook stilstaan op de rijbaan is verboden; de vluchtstrook, vluchthaven en berm zijn daar alleen voor noodgevallen te gebruiken.
De veilige eerste handelingen staan bij pech en noodgevallen. Laat het organiseren van de hulp daar beginnen, voordat je over een sleepkabel nadenkt.